Naar hoofdinhoud
1. De benoeming van de leden van het dagelijks bestuur met uitzondering van de voorzitter vindt plaats in de eerste vergadering van het algemeen bestuur in nieuwe samenstelling of zo spoedig mogelijk daarna. 2. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van artikel 41, tweede lid, van de wet. 3. De tot lid van het dagelijks bestuur benoemde wordt geacht de benoeming niet aan te nemen, indien de voorzitter op de tiende dag na kennisgeving van de benoeming nog geen schriftelijke mededeling van hem heeft ontvangen dat hij de benoeming aanvaardt. 4. Wanneer de benoeming niet is aangenomen, geschiedt zo spoedig mogelijk een nieuwe benoeming. 5. De benoeming ter vervulling van een plaats die tussentijds openvalt geschiedt zo spoedig mogelijk nadat de opengevallen plaats in het algemeen bestuur is vervuld, tenzij het algemeen bestuur besluit het aantal leden van het dagelijks bestuur te verminderen, dan wel toepassing wordt gegeven aan het tweede lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel