Naar hoofdinhoud

Artikel 10

Wijze van heffing en tijdstip van betaling.

Onderdeel van 2013-42 Verordening op de heffing en invordering van zeehavengelden 2014

1. Het zeehavengeld wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. 2. De betaling wordt gedaan aan het Havenbedrijf Rotterdam N.V. , danwel aan de betrokken in artikel 231, tweede lid, sub c Gemeentewet bedoelde ambtenaar, gelijktijdig met de aangifte bij het college van burgemeester en wethouders. 3. Belastingplichtige dient het zeehavengeld direct bij het doen van de eerste opgave in contanten te betalen, dan wel hiervoor zekerheid te stellen door middel van een borgstelling of een bankgarantie. 4. Het zeehavengeld wordt berekend en gefactureerd aan de hand van de eerste en de aanvullende opgave. 5. Belastingplichtige dient het uiteindelijke bedrag aan zeehavengeld dat is berekend aan de hand van de eerste en aanvullende opgave vóór vertrek van het zeeschip uit de haven aan het Havenbedrijf Rotterdam N.V. te hebben voldaan. 6. In afwijking van het bepaalde in artikel 10.5 behoeft het zeehavengeld eerst na ontvangst van een factuur of verzamelfactuur te worden voldaan indien belastingplichtige ten behoeve van het Havenbedrijf Rotterdam N.V. zekerheid heeft gesteld door middel van een borgstelling of een bankgarantie. In voornoemd geval dient het Havenbedrijf Rotterdam N.V. de betaling te hebben ontvangen binnen acht kalenderdagen na de factuurdatum. Betaling kan in dit geval eveneens plaatsvinden door middel van een automatische incasso. Het factuurbedrag wordt alsdan afgeschreven met een valutadatum 14 dagen na factuurdatum.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel