Omdat tekortschietend besef van verantwoordelijkheid alleen is opgenomen in de WWB, gelden de bepalingen in dit artikel alleen voor de algemene bijstand.
Eerste lid:
De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan, geldt al voordat een bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt, het college bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door de hoogte van de bijstand hierop af te stemmen. Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen blijken, zoals:
een onverantwoorde besteding van vermogen;
geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;
het niet nakomen van de verplichting tot instellen alimentatievordering, zodra wettelijk mogelijk.
Tweede lid:
In het tweede en derde lid wordt een relatie gelegd tussen de hoogte van de afstemming en het benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag is in dit geval het bedrag aan bijstand dat door het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid eerder of langer verstrekt wordt.
Derde lid/vierde lid/zesde lid:
Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van opnieuw een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de periode van de afstemming. Met een eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een afstemming, ook indien de afstemming wegens dringende redenen niet is geëffectueerd en ook afstemming wegens het niet nakomen van de arbeidsplicht of inlichtingenplicht. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden geldt het tijdstip waarop het besluit waarin de afstemming is aangekondigd, bekend is gemaakt.
Vindt binnen 12 maanden na het opleggen van de recidiveafstemming opnieuw een verwijtbare gedraging plaats, vindt afstemming plaats door de periode te verdrievoudigen.
Op basis van deze bepaling kan een recidiveafstemming slechts twee keer worden toegepast. Indien belanghebbende na een derde verwijtbare gedraging wederom verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de afstemming individueel worden vastgesteld, waarbij gekeken wordt naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende.
Bbz
De in artikel 6 opgenomen gedragingen die leiden tot een afstemming (tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en zeer ernstige misdragingen) zijn ook voor het Bbz gedragingen die leiden tot een afstemming. Artikel 18, tweede lid, van de wet is onverkort van toepassing op het Bbz.
Uit artikel 38, eerste lid Bbz vloeit voort dat de zelfstandige de door het college opgelegde verplichtingen, gericht op een doelmatige bedrijfs- of beroepsuitoefening, moet nakomen. Doet hij dat niet of in onvoldoende mate, dan is het college bevoegd om een afstemming op te leggen, omdat de zelfstandige door deze verplichting niet of niet voldoende na te komen, blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening.
De gemeente kan bijvoorbeeld een verplichting opleggen, gericht op beperking van de bedrijfskosten (zoals uitzien naar een goedkopere bedrijfsruimte, inruil dure leaseauto voor een goedkopere, stopzetten niet-noodzakelijke abonnementen etc.), verbetering van de omzet (effectievere acquisitie, verandering brutowinstmarge, verandering openstelling, ontwikkeling internetverkoop etc.), of op vermindering van de privé-uitgaven. Als later blijkt dat de zelfstandige niet (volledig) aan de gestelde verplichtingen heeft voldaan, kan dat leiden tot beëindiging van de bijstand, of voortzetting van de bijstand met een afstemming. Uiteraard is het opleggen van een afstemming alleen aan de orde, indien er nog sprake is van een lopende Bbz-uitkering. Als geen benadelingbedrag of –periode kan worden vastgesteld - en dat is bij de bijstandsverlening aan zelfstandigen en de daarbij geldende specifieke verplichtingen vaak het geval - dan geldt de afstemming, bedoeld in het derde lid van artikel 6 tweede lid.
Als wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid een beroep op Bbz wordt gedaan dan kan eveneens een afstemming aan de orde zijn wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening. Het Bbz 2004 gaat primair uit van de eigen verantwoordelijkheid van de zelfstandige. In dit kader betekent dit dat de zelfstandige zelf verantwoordelijk is voor het afsluiten van een toereikende particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze verzekering wordt beschouwd als een voorliggende voorziening op bijstand. Een zelfstandige die verwijtbaar geen arbeidsongeschiktheidsverzekering of een arbeidsongeschiktheidsverzekering met een te lage dekking of te lange wachttijd heeft afgesloten en die bij ziekte/arbeidsongeschiktheid een beroep doet op bijstand (Bbz), heeft een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening betoond. Een afwijzing van de bijstandsaanvraag op grond van artikel 15, eerste lid, van de WWB is echter niet aan de orde, aangezien na het ingaan van de arbeidsongeschiktheid sprake zal zijn van feitelijke onverzekerbaarheid. Er kan dan geen sprake meer zijn van een beroep kunnen doen op een voorliggende voorziening. Wel kan, als uitkering wordt verleend omdat aan de overige voorwaarden voor het verkrijgen van recht op uitkering is voldaan, een afstemming aan de orde zijn.
Bij beëindigende ondernemers die een beroep op het Bbz doen, wordt beoordeeld of de noodzakelijke beëindiging wegens niet-levensvatbaarheid van het bedrijf is veroorzaakt door verwijtbaar gedrag van de zelfstandige (bijvoorbeeld door slechte betalingsmoraliteit, of een onverantwoord hoog uitgavenpatroon). Als daarvan sprake is, is een afstemming wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening aan de orde.
Artikel 6
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Handhavings-, afstemmings- en boeteverordening