**1.** De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven door voldoening op aangifte en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren.
**2.** In afwijking van het bepaalde in het eerste lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald uiterlijk binnen een maand na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon of via de Deurnekaart inloggen op de centrale computer.
**3.** De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven via een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waartoe ook wordt gerekend een nota of andere schriftuur, en moet worden betaald voorafgaand aan het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.
**4.** De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt berekend per kalenderjaar.
Indien een parkeervergunning wordt toegekend op ofvoor de 15e van de tweede maand van het betreffende kwartaal wordt het volledige kwartaalbedrag in rekening gebracht.
Indien een parkeervergunning wordt toegekend na de 15e van de tweede maand van het betreffende kwartaal wordt het volledige kwartaalbedrag in rekening gebracht.
**5.** Restitutie van reeds betaalde belasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel b vindt plaats voor de resterende kwartalen van het jaar, gerekend vanaf het moment dat de parkeervergunning wordt ingeleverd.
Indien een parkeervergunning wordt ingeleverd op ofvoor de 15e van de tweede maand van het betreffende kwartaal, dan vindt volledige restitutie van het kwartaalbedrag plaats.
Indien een parkeervergunning wordt ingeleverd na de 15e van de tweede maand van het betreffende kwartaal, dan vindt geen restitutie van het kwartaalbedrag plaats.
**6.** Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.
Artikel 6
Wijze van heffing, termijnen van betaling en restitutie
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelasting 2013