Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7

Artikel 7.6

Overige vervoersvoorzieningen

Onderdeel van Beleidsregels individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Leeuwarden

Bij personen waarbij het collectief vervoer de behoefte niet in voldoende of volledige mate compenseert, zal het college beoordelen of naast of in plaats van deze voorziening een andere voorziening verstrekt moet worden. Naast het collectief vervoer kan dan - al dan niet aanvullend op het voorliggende collectieve vervoerssysteem -  een aantal voorzieningen in de vorm van verstrekkingen in natura of in de vorm van een financiële tegemoetkoming of  persoonsgebonden budget worden gegeven voor vervoer buitenshuis. Scootmobielen De meest voorkomende individuele vervoersvoorziening is de scootmobiel of open elektrische buitenwagen. Het gaat hier om een vervoermiddel dat voorziet in de vervoersbehoefte op de korte afstand, in de directe omgeving van de eigen woning en op de iets langere afstand. Deze voorziening kan gecombineerd worden met de algemene vervoersvoorziening collectief vervoer. Een scootmobiel wordt met name geïndiceerd wanneer er sprake is van een substantiële vervoersbehoefte in de directe omgeving van de woning. Dit is het geval als de belanghebbende met een scootmobiel zelf boodschappen kan doen, familie en kennissen kan bezoeken en andere vormen van dagbesteding beschikbaar heeft. Voor deze verplaatsingen is het immers over het algemeen niet mogelijk c.q. onlogisch gebruik te maken van een collectief systeem of taxivervoer. Bij verstrekking van deze voorziening geldt dat de belanghebbende: zonder begeleider zelf zijn bestemming moet kunnen bepalen en vinden; tegen weersinvloeden is bestand gedurende een groot deel van het jaar; kan in- en uitstappen en een goede zitbalans heeft; het voertuig kan bedienen en besturen. In de gemeente Leeuwarden wordt bij de scootmobiel geen schootskleed verstrekt. De verstrekking van een scootmobiel geschiedt in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld op de tegenwaarde van de adequaat goedkoopste naturavoorziening. Naturaverstrekkingen worden door de gemeente gekocht bij de leverancier waarmee de gemeente een inkoopovereenkomst heeft gesloten. Ze worden in bruikleen verstrekt voor de duur dat de belanghebbende het hulpmiddel nodig heeft. Het voordeel van een verstrekking in bruikleen is dat de voorziening herverstrekt kan  worden. De gebruiker sluit hiervoor een bruikleenovereenkomst met de gemeente af. De leverancier verzorgt ook de service en het onderhoud van het hulpmiddel. De kosten van service en onderhoud worden vergoed door de gemeente. De kosten van het opladen van een scootmobiel worden beschouwd als algemene kosten, welke niet voor vergoeding in aanmerking komen. Indien het hulpmiddel zich ten gevolge van verwijtbaar gedrag van de gebruiker in beschadigde of verwaarloosde toestand bevindt, dan worden de kosten voor herstel van het hulpmiddel bij de gebruiker in rekening gebracht. Dit houdt in dat (rij)schade aan het vervoermiddel die door toedoen van de gebruikeris veroorzaakt voor rekening van de gebruiker is.Ook andere schade en storingen aan het vervoermiddel die worden veroorzaakt door nalatigheid van de gebruiker zijn voor rekening. Denk daarbij aan het niet volgens de instructie controleren en onderhouden van het vervoermiddel of het eigenmachtig (laten) uitvoeren van aanpassingen of reparaties. Indien herstel onmogelijk is, is de gebruiker verplicht te betalen een bedrag dat overeenkomt met de op dat moment geldende waarde van het hulpmiddel. Wijze van terugvorderen De wijze van invorderen van teruggevorderde bedragen vindt plaats op basis van de vierde tranche van de AWb: bestuursrechtelijke geldschulden. Er geldt een termijn van zes weken inzake terugbetaling. Een betalingsregeling is mogelijk in overleg met het door het college aangewezen uitvoeringsorgaan voor de Wmo. De betaalcapaciteit wordt gesteld op 90% van de beslagvrije voet (artikel 475d Rv). In een situatie waarin de cliënt niet terugbetaalt wordt dezelfde route doorlopen als op grond van het beleid bij Sociale Zaken is bepaald. Afzien van terugvordering Er kunnen in individuele situaties dringende redenen zijn op grond waarvan van een terugvorderingsbesluit kan worden afgezien. Die dringende redenen kunnen alleen betrekking hebben op de gevolgen van de terugvordering voor een belanghebbende en het gezin of op de hoogte van het bedrag. Het moet in het eerste geval gaan om een zodanige bijzondere situatie dat terugvordering leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de belanghebbende. Lichamelijke en psychische klachten die al enige tijd bestaan en dus niet in het bijzonder het gevolg zijn van het terugvorderingsbesluit worden niet aangemerkt als dringende redenen, evenals de hoogte van de vordering. Omdat in alle gevallen wordt teruggevorderd tenzij er sprake is van dringende redenen, zal het college niet zonder onderzoek voorbijgaan aan een verklaring van de huisarts van een belanghebbende inhoudende dat er sprake is van psychische klachten. Dat de klachten reeds voor de terugvordering bestonden en dat niet is gebleken dat belanghebbende zich na de terugvordering weer onder behandeling heeft gesteld maakt dat niet anders.  De omstandigheid dat belanghebbende  (weer) in een schuldsaneringstraject is opgenomen is geen grond voor het oordeel dat de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële consequenties heeft Ten aanzien van de hoogte van de vordering wordt de belanghebbende bij de aflossing van de schuld beschermd door de regels omtrent de beslagvrije voet. Omdat het college altijd bevoegd is om het terugvorderingsbeleid vast te stellen, wordt bepaald dat het college uit doelmatigheidsoverwegingen ook afziet van terugvordering wanneer het terug te vorderen bedrag minder bedraagt dan € 25,- . Dit omdat in dat geval de uitvoeringskosten hoger zijn dan het terug te vorderen bedrag. Wanneer op grond van dringende redenen wordt afgezien van een terugvorderingsbesluit zal dit in een besluit, geen terugvorderingsbesluit, aan de belanghebbende kenbaar worden gemaakt. Ook als op grond van het kruimelbedrag wordt afgezien van een terugvorderingsbesluit, wordt de belanghebbende hier van in kennis gesteld Overige verplaatsingsmiddelen Afhankelijk van de individuele situatie kan verstrekking van een ander verplaatsingsmiddel al dan niet in combinatie met een vervoersvoorziening collectief vervoer aan de orde zijn. Hierna wordt een aantal genoemd, niet als limitatieve opsomming maar als voorbeeld. 1.  Speciale fietsen: Het meest gebruikelijke verplaatsingsmiddel is de fiets. De fiets is een zodanig normaal vervoermiddel, dat de fiets als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd. Om deze reden zal een fiets nooit voor verstrekking in aanmerking kunnen komen. Dit geldt evenzeer voor de bromfiets. Deze redenering gaat niet op voor bijzondere fietsen. Te denken valt daarbij aan driewielfietsen of vierwielfietsen. Deze fietsen zijn bedoeld voor mensen met een slecht evenwicht hetgeen het gebruik van een normale fiets gevaarlijk maakt. Ook andere groepen personen kunnen zijn gebaat bij een driewielfiets, zoals personen met een verstandelijke beperking of mensen met een gestoorde motoriek. Leeftijd hoeft daarbij niet van belang te zijn, hoewel er bij kinderen voor verstrekking wel sprake moet zijn van behoefte aan verplaatsing. Een normale (kinder)driewieler kan als algemeen gebruikelijk worden beschouwd en hoeft niet voor verstrekking in aanmerking te komen. Drie- of vierwielfietsen voor kinderen in bijzondere uitvoering kunnen dat in principe wel. 2. Handbike (tracker) Dit is een hulpmiddel bestaande uit een fietsdeel, vaak met versnellingsnaaf, dat aan een handbewogen rolstoel gekoppeld kan worden. Deze voorziening kan worden verstrekt aan personen die volledig op een rolstoel zijn aangewezen en die met deze combinatie een substantieel deel van de bestemmingen in het kader van het leven van alledag kunnen bereiken. Voor het verstrekken van de handbike gelden dezelfde criteria als voor verstrekking van een scootmobiel.  Het is duidelijk dat een dergelijke voorziening hele andere fysieke eisen stelt aan de belanghebbende. Uiteraard wordt dit meegenomen in de beoordeling of deze voorziening gelet op de omstandigheden van de belanghebbende als adequaat is aan te merken. 3. Fietszitjes en autozitjes Hoewel fietszitjes of autozitjes feitelijk geen vervoersvoorzieningen zijn, worden ze wel onder de “overige verplaatsingsmiddelen” gebracht aangezien ze het vervoer van een (gehandicapt) kind op verantwoorde wijze mogelijk maken. Duidelijk is dat er uiteraard sprake moet zijn van een speciaal aangepast fietszitje of autozitje. Immers, anders is sprake van een “algemeen gebruikelijk” middel. Ouders die deze voorziening aanvragen komen hiervoor in aanmerking indien zij genoodzaakt zijn om hun gehandicapt kind mee te nemen bij hun verplaatsingen in het kader van het “leven van alledag”. 4. Auto Bij het verstrekken van voorzieningen die af te leiden zijn van de auto, beoordeelt het college of er sprake is van meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden. Alleen dan komt men in aanmerking voor een individuele voorziening. Dit betekent bijvoorbeeld dat, als de beschikbare auto gebruikt kan worden voor vervoer in het kader van deelname aan het leven van alledag, het verlenen van een vervoersvoorziening niet voor de hand ligt. Wel is het mogelijk om, op grond van het verplaatsingsgedrag, naast een beschikbare een auto, een aanvullende voorziening te verlenen als op die wijze de maatschappelijke participatie kan worden gerealiseerd. Autoaanpassingen Bij de beoordeling of cliënten in aanmerking komen voor een autoaanpassing wordt het volgende uitgangspunt  gehanteerd. Het primaat voor het verstrekken van een vervoersvoorziening ligt bij het collectief vraagafhankelijk vervoer. In de regel kan hiermee voorzien worden in de vervoersbehoefte. In enkele gevallen kunnen aanpassingen aan een beschikbare eigen auto een adequate en goedkope oplossing voor mobiliteitsproblemen vormen. In dat geval is vergoeding van aanpassingen mogelijk. Uiteraard zal de aanvraag beoordeeld moeten worden in samenhang met eventueel eerder getroffen ( vervoers)voorzieningen In de volgende gevallen zou een autoaanpassing een adequate en goedkope oplossing kunnen zijn : Gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer is op medische gronden niet mogelijk. Vervoer met eigen auto is slechts mogelijk na een aanpassing. Vervoer van een gehandicapt kind dat  onderdeel uitmaakt van het gezin. Het collectief vraagafhankelijk vervoer is gezien de persoonlijke kenmerken en behoeften onvoldoende compenserend Mogelijke autoaanpassingen zijn een rolstoel-instapcombinatie, een rolstoelfixatie systeem, aanpassingen van de besturing van de auto zoals handgas, een kofferbaklift en rolstoel-oprijplaten. Vorm van verstrekking autoaanpassing De vorm van verstrekking zal in de meeste gevallen bestaan uit een vergoeding van de kosten van aanpassing van de eigen auto. Slechts in enkele gevallen zal de verstrekking bestaan uit een verstrekking in natura. Dit zal het geval zijn bij verstrekkingen die makkelijk kunnen worden overgezet naar een andere auto. Voorwaarden autoaanpassing Vergoeding van de kosten voor aanpassing van de auto is alleen mogelijk als de auto: Redelijk is aan te passen; In goede staat verkeert; In principe niet ouder is dan drie jaar. Er wordt geen maximale vergoeding voor het verstrekken van autoaanpassingen opgenomen. Wel dienen de kosten niet excessief te zijn. Algemeen gebruikelijk Kosten van verzekering en keuring van de auto worden algemeen gebruikelijk geacht en komen derhalve niet voor vergoeding in aanmerking. Bij een autoaanpassing wordt het hebben van een auto met een hoge instap als algemeen gebruikelijk geacht. De autostoel Op dit moment worden bij productie van auto’s al hoge kwaliteitseisen gesteld aan het zitcomfort van autostoelen. Dit betekent dat het in de regel niet meer voorkomt dat een autostoel vervangen zou moeten worden door een betere stoel. Indien belanghebbende toch geen gebruik kan maken van de bij de auto behorende standaardstoel kan een tegemoetkoming worden verstrekt van de aanpaskosten. Geen vergoeding wordt verstrekt indien: Een autostoel voornamelijk als doel heeft de zithouding te verbeteren. Deze stoelen zijn ook voor niet-gehandicapten normaal in de handel verkrijgbaar ( bijvoorbeeld de Scheel- stoel). De belanghebbende pas klachten krijgt na het rijden van lange afstanden of lange rijtijden. Allereerst mag er van uit worden gegaan dat hij of zij tijdig pauzeert. Tevens reikt de compensatieplicht van de gemeente zich in principe tot de gemeente Leeuwarden. De aanschaf van de autostoel uit preventief oogpunt geschiedt. De in de auto aanwezige standaardstoel aan redelijke normen voldoet. Belanghebbende moet bij zijn autokeuze voldoende aandacht hebben besteed aan het zitcomfort.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel