Een persoonsgebonden budget is een geldbedrag, bedoeld om zelf hulp bij het huishouden of een voorziening mee aan te schaffen of te betalen. Het college bepaalt of een persoonsgebonden budget wordt toegekend. Bedragen worden beschreven in het ‘Besluit maatschappelijke ondersteuning Leeuwarden’.
Het uitgangspunt bij het verstrekken van een persoonsgebonden budget is dat belanghebbende in staat is om zelf de regie te voeren over zijn financiën. Hij moet de verantwoordelijkheid die samenhangt met het hebben van een persoonsgebonden budget zelfstandig en volledig kunnen dragen.
Gronden voor weigering van een persoonsgebonden budget
In de parlementaire behandeling van de Wmo is aangegeven dat er uitzonderingen mogelijk zijn op deze keuzevrijheid, met name als het gaat om personen waarvan verwacht kan worden dat zij niet met het beschikbare geld kunnen omgaan. Het college heeft de volgende uitzonderingen vastgesteld. Daarvan is in ieder geval sprake als zich één van de volgende situaties voordoet (Verordening artikel 22):
Belanghebbende heeft zich in de periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag niet gehouden aan – bij eerdere verstrekking van een persoonsgebonden budget- opgelegde verplichtingen;
Belanghebbende zit in een financieel hulpverleningstraject of zou daarvoor in aanmerking kunnen komen;
Er zijn gegronde redenen om aan te nemen dat belanghebbende zelf niet in staat is tot een verantwoord beheer en een verantwoorde besteding en er is geen ondersteuning beschikbaar van een partner, wettelijk vertegenwoordiger, bewindvoerder of mentor;
Belanghebbende heeft het eerder verstrekte persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden niet naar genoegen van het college kunnen verantwoorden of er is sprake van aantoonbare fraude.
Als tijdens het onderzoek duidelijk wordt dat belanghebbende problemen zal krijgen met het omgaan met het persoonsgebonden budget, wordt dit als een contra-indicatie opgevat. Hierbij kan ondermeer gedacht worden aan personen die niet kunnen lezen en schrijven. Andere voorbeelden zijn personen met een psychiatrische problematiek, zoals verslaving, manische depressie of dementie. Van de aanwezigheid van een wettelijk vertegenwoordiger, voogd, bewindvoerder of mentor moet een bewijs worden overlegd.
Een andere reden is als belanghebbende in de voorafgaande periode het budget niet of niet volledig heeft aangewend voor hulp bij het huishouden. Belanghebbende krijgt evenwel de mogelijkheid om een verklaring te geven waarom hij niet heeft voldaan aan zijn verantwoordingsplicht. Deze verklaring kan vervolgens leiden tot het oordeel van het college dat de voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt voortgezet.
Naast deze uitzonderingen komt het voor dat bij een belanghebbende met een zeer progressief ziektebeeld al op voorhand vast staat dat binnen korte tijd vervanging van de voorziening nodig is, wellicht daarna weer. Het is de vraag of deze situatie zich dan leent voor een persoonsgebonden budget.
Persoonsgebonden budget enkel voor individuele voorzieningen
Het college verstrekt een persoonsgebonden budget alleen ten aanzien van individuele voorzieningen.
Dat betekent dat bij algemene voorzieningen geen persoonsgebonden budget verstrekt wordt. Algemene voorzieningen worden immers niet aangemerkt als individuele voorzieningen binnen de Wmo. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit in diverse uitspraken. Voor deze voorzieningen geldt ook de eigen bijdragen systematiek niet.
Er is echter de mogelijkheid van een uitzondering. :
Indien een voorziening algemeen gebruikelijk is, maar het inkomen is onder de norm -zoals benoemd in het Besluit 2013- dan is een afwijzing niet gewenst. Als blijkt dat een algemeen gebruikelijke voorziening als oplossing beschikbar is en de burger heeft een inkomen onder de inkomensnorm (zie Besluit), dan wordt de algemeen gebruikelijke voorziening toegekend.
Bij beoordelingen in dit kader is het noodzakelijk om als criteria de opgenomen resultaatgebieden te hanteren en niet te denken in één bepaalde (vaste) vorm van recht / geen recht. Het gaat om individuele beoordelingen, waarbij ook nadrukkelijk gekeken moet worden naar de meest goedkope en adequate oplossing. Het gaat hier in alle gevallen om maatwerk, waarbij de kans groot is dat verschillende oplossingen worden aangedragen voor beperkingen op eenzelfde resultaatgebied. Tweedehands artikelen hebben bijvoorbeeld dan ook sterk de voorkeur boven nieuwe verstrekkingen. Het gaat immers om beperkingen op resultaatgebieden te compenseren, en hierbij ook de minimale eisen van de wet toe te passen (Veranderagenda Wmo 2010-2014).
Door toepassing van deze werkwijze wordt ook het (mogelijke) verschil tussen rechtsongelijkheid, indien überhaupt aanwezig, teruggebracht tussen inkomens die lager/hoger liggen dan de inkomensnorm (Besluit Wmo 2013).
Omvang persoonsgebonden budget
Het college bepaalt de omvang van het persoonsgebonden budget.
Hierbij dienen twee mogelijkheden te worden onderscheiden: enerzijds het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden, anderzijds het persoonsgebonden budget voor voorzieningen, zoals hulpmiddelen, woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen.
Persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden
Bij diensten gaat het om de betaling van tijd aan dienstverleners. De uitbetaling zal dan ook plaats vinden per uur of een gedeelte daarvan. Het uurbedrag wordt door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld en zal elk jaar aangepast worden aan de economische ontwikkelingen. Het bedrag wordt vastgelegd in het besluit maatschappelijke ondersteuning. Bepaald is in artikel 6 lid 1 Wmo dat het uurbedrag vergelijkbaar met zorg in natura moet zijn en bovendien toereikend. Dat betekent dat het bedrag tenminste het minimumloonbedrag zal moeten zijn. Er zijn twee mogelijkheden: het gaat om een arbeidsovereenkomst of om een overeenkomst opdrachtgever-opdrachtnemer. In het eerste geval ontstaan er weer twee situaties: belanghebbende werkt op minder dan 3 dagen of belanghebbende werkt op meer dan 3 dagen bij dezelfde persoon. Als het minder dan 3 dagen zijn, dan mag er bruto uitbetaald worden en zorgt de hulpverlener zelf voor eventuele betaling van belastingen en verzekeringen. Werkt iemand meer dan 3 dagen in de week dan is de werkgever verantwoordelijk voor de afdracht van belastingen en verplichte premies voor diverse verzekeringen. In deze beide situaties moet het minimum (jeugd)loon in ieder geval betaald worden. Is sprake van een overeenkomst opdrachtgever-opdrachtnemer, dan zal het veelal gaan om een zelfstandige zonder personeel (zzp-er) en is men niet gebonden aan het minimum (jeugd)loon en hoeft er geen afdracht plaats te vinden door de opdrachtgever.
Persoonsgebonden budget voor voorzieningen
Wat betreft de voorzieningen maakt het college per toekenning een berekening. Daarbij moet het bedrag voldoende zijn om de voorziening aan te schaffen en dus de bestaande problemen voldoende te compenseren.
De kosten van de voorziening als de voorziening in natura zou worden verstrekt, zijn daarbij uitgangspunt. Dat kan afgeleid worden van bijvoorbeeld een offerte. Daarbij zijn bedragen geteld voor het onderhoud en de reparaties van de voorziening, voor zover daar sprake van kan zijn. Het bedrag voor onderhoud wordt jaarlijks aan de belanghebbende overgemaakt nadat deze een afgesloten onderhoudscontract voor de in een persoonsgebonden budget verstrekte voorziening heeft overlegd. Bij het bepalen van het bedrag van de voorziening wordt uitgegaan van het bedrag dat de voorziening bij verstrekking in natura zou kosten. Daarbij zal veelal sprake zijn van kortingen, omdat via een contract met een leverancier een grote hoeveelheid voorzieningen afgenomen wordt. Deze korting wordt doorberekend naar het persoonsgebonden budget. Het is immers niet de bedoeling dat een persoonsgebonden budget meer geld gaat kosten dan verstrekking in natura. Over het algemeen zal er van uitgegaan kunnen worden dat ook met een persoonsgebonden budget een voorziening met korting zal kunnen worden aangeschaft. Is dat niet het geval dan zal beoordeeld moeten worden of niet het volledige bedrag zonder korting vergoed zal moeten worden omdat anders het te bereiken resultaat onbereikbaar wordt.
Beschikking
Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het persoonsgebonden budget dient te worden aangeschaft en meer precies: aan welke vereisten de aan te schaffen voorziening dient te voldoen, wordt een zo nauwkeurig mogelijk omschreven programma van eisen bij de beschikking gevoegd. Hierdoor kan voorkomen worden dat, door onduidelijkheid omtrent de eisen die aan de voorziening gesteld moeten worden, een verkeerde voorziening wordt aangeschaft. Dat wil zeggen een voorziening waarmee het beoogde resultaat niet bereikt kan worden. Dat zou tot inadequate voorzieningen kunnen leiden, waardoor het te bereiken resultaat, het compenseren van problemen, niet bereikt wordt, wat op zich weer tot nieuwe aanvragen aanleiding zou kunnen zijn. Dit is uitsluitend te voorkomen door een programma van eisen onderdeel uit te laten maken van de beschikking. Wordt dan toch een voorziening aangeschaft die niet aan dat program van eisen voldoet, dan is gehandeld in strijd met de beschikking.
Uitbetaling persoonsgebonden budget
In de beschikking vermeldt het college wat de omvang van het persoonsgebonden budget is en voor hoeveel jaar het persoonsgebonden budget bedoeld is. Zodra de beschikking door het college is verzonden, wordt het persoonsgebonden budget beschikbaar gesteld. Dat kan in één keer, indien daar aanleiding voor is (een aan te schaffen voorziening zal ook in één keer betaald moeten worden), maar zou ook in termijnen kunnen, bijvoorbeeld bij een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden. Om de betaling overzichtelijk te houden, is het mogelijk dit persoonsgebonden budget per kwartaal of per half jaar beschikbaar te stellen. Daarbij wordt er rekening mee gehouden dat bij betaling over een lange perioden uitsluitend betaling achteraf problemen kan opleveren. Betaling per voorschot, of aan het begin van de periode, ligt dan voor de hand.
Het persoonsgebonden budget wordt bruto uitbetaald. Dat wil zeggen dat de eigen bijdrage hierin opgenomen zit; deze wordt via het CAK berekend en geïnd.
Het bruto persoonsgebonden budget wordt ter beschikking gesteld - door storting van belanghebbende of op verzoek van belanghebbende - op een andere rekening. Indien belanghebbende minderjarig is, wordt het persoonsgebonden budget op de rekening van dienst wettelijk vertegenwoordiger gestort.
Staat belanghebbende onder curatele of bewindvoering dan wordt op verzoek van de curator of de bewindvoerder het bruto persoonsgebonden budget gestort op de bankrekening van de curator of bewindvoerder. Is belanghebbende jonger dan 18 jaar of dienst wettelijk vertegenwoordiger, dan wordt het bruto persoonsgebonden budget overgemaakt op een bankrekening van een organisatie die belast is met de ondertoezichtstelling op belanghebbende die de reclasseringsmaatregel uitoefent. Hierbij wordt gedoeld wordt op een reclasseringsmaatregel krachtens een uitspraak van de rechter of het Openbaar Ministerie op grond artikel 14d, artikel 15b, of Boek I, Titel VIII A Bijzondere bepalingen voor jeugdige personen, van het Wetboek van Strafrecht.
Uitbetaling via serviceorganisatie
Als de betaling via een serviceorganisatie gaat (de thuiszorg of een andere organisatie), dan zal het college alleen op basis van daadwerkelijke uitgaven het persoonsgebonden budget overmaken.
Het college stort dan op uitdrukkelijk verzoek van de belanghebbende het geld op rekening van de serviceorganisatie, die tot betaling van de hulp overgaat na ontvangst van een werkbriefje van de belanghebbende. Het college betaalt dan niet te veel en de belanghebbende hoeft niets terug te betalen. Namens de belanghebbende verzorgt de serviceorganisatie ook de verantwoording.
Controle persoonsgebonden budget
De controle van het persoonsgebonden budget vindt als volgt plaats. Iedere budgethouder dient de volgende stukken te bewaren:
de nota/factuur van de aangeschafte voorziening;
een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening;
een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen (bij hulp in het huishouden).
Via een steekproef zal het college bepalen bij welke budgethouders deze stukken zullen worden opgevraagd om te controleren of het persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is. Is dat het geval, dan hoeft er verder niets te gebeuren.
Is het persoonsgebonden budget anders besteed dan bedoeld, dan kan het college het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Voordat overgegaan kan worden op terugvordering of verrekening dient een intrekkingsbeschikking afgegeven te worden. Bij het terugvorderen zijn de voorschriften zoals door het college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Leeuwarden opgenomen van overeenkomstige toepassing. Leidend bij het geheel of gedeeltelijk terugvorderen is of er opzet in het spel is geweest, of dat sprake is geweest van onwetendheid. In die laatste situatie kan overlegd worden dat deze situatie in de toekomst vermeden dient te worden. Bij opzet moet afgewogen worden of terugvordering in verhouding staat tot wat er bewust onjuist is gedaan.
Eigen bijdrage en persoonsgebonden budget
De verordening regelt wanneer bij een persoonsgebonden budget een eigen bijdrage verschuldigd is. De eigen bijdrage heeft als maximum 60% van het gehele persoonsgebonden budget.
Deze eigen bijdrage wordt berekend door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het CAK werkt met verzamelinkomens vanuit een peiljaar, welk twee jaar voor het lopende jaar ligt. Dit is noodzakelijk om over de verzamelinkomens, die afkomstig zijn van de belastingdienst, te kunnen beschikken. In 2010 doet men aangifte over 2009, dus dat jaar is nog niet bekend. Vandaar dat het verzamelinkomen over 2008 in 2010 gebruikt wordt. Dit betekent dat er soms een voorlopige vaststelling zal plaatsvinden en achteraf een definitieve vaststelling. Het in mindering brengen van eigen bijdragen of een eigen aandeel zal daardoor vaak niet mogelijk zijn. Al deze activiteiten zullen door het CAK worden uitgevoerd. Een eigen bijdrage voor een persoonsgebonden budget (of een financiële tegemoetkoming met een eigen aandeel) mag elke 4 weken gevraagd worden, maar mag nooit de grens die in het besluit is vastgelegd, te boven gaan. Ook mag een eigen bijdrage de kostprijs van de voorziening niet te boven gaan. Wordt een persoonsgebonden budget verstrekt voor een voorziening die in eigendom of bruikleen van de belanghebbende wordt verstrekt, dan wordt de eigen bijdrage niet meer dan 39 perioden van 4 weken gevraagd. Uitzondering hierbij is de voorziening hulp bij het huishouden, hierbij wordt gedurende de inzet van hulp bij het huishouden een eigen bijdrage opgelegd. Verdere uitwerking van het opleggen van een eigen bijdrage worden benoemd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Leeuwarden.
Hoofdstuk 9
Artikel 9.3
Persoonsgebonden budget
Onderdeel van Beleidsregels individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Leeuwarden