Naar hoofdinhoud

Paragraaf 1.

Artikel 3.

Veiligheidsvoorzieningen prostituee.

Onderdeel van Nadere regels prostitutiebedrijven

1.. Iedere werkruimte moet zijn voorzien van een zogenaamd stil alarm. 2.. De toegangsdeur van een werkruimte mag slechts afsluitbaar zijn als in het prostitutiebedrijf een, voor de overige aanwezige prostituees goed bereikbare, op die deur passende moedersleutel aanwezig is. 3.. Als de toegangsdeur van de werkruimte is gelegen in een gevel en de werkruimte niet beschikt over een besloten verbinding naar andere verblijfsruimten, dan worden ten genoegen van het college van burgemeester en wethouders maatregelen getroffen met het oog op de veiligheid van de in de werkruimte verblijvende prostituees. 4.. Ruimten in het prostitutiebedrijf waarin zich één of meer prostituees plegen te bevinden, moeten zijn voorzien van duidelijk kenbare gelegenheden tot ontvluchting, indien de normale uitgangen daartoe onvoldoende zouden zijn. Deze moeten, mede gelet op het aantal andere personen dat zich in die ruimten pleegt te bevinden, in aantal, in ligging en in grootte toereikend zijn om de prostituee op een zo veilig mogelijke wijze een zo veilig mogelijke plaats te doen bereiken. Gelegenheden tot ontvluchting moeten zijn vrijgehouden van obstakels. 5.. De toegangsdeur(en) van een werkruimte mag/mogen niet van binnenuit afsluitbaar zijn. 6.. Het vorige lid is niet van toepassing als een toegangsdeur van een werkruimte is gelegen aan de weg. 7.. Een werkruimte waarvan de toegangsdeur is gelegen aan de weg moet in open verbinding staan met andere ruimten. 8.. Als het in het vorige lid bepaalde niet-mogelijk is of niet kan worden gevergd, dan moeten maatregelen worden getroffen waardoor de veiligheid van de prostituees op andere wijze wordt gewaarborgd.

Rechtspraak bij dit artikel