1.
De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden geweigerd indien:
de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;
de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college;
deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten;
d. de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden of verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere
instelling gericht op het verstrekken van zorg;
er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden beperkingen en een of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door de aanvrager bewoonde woning;
de beperkingen niet in de woning zelf (waartoe ook de toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen) worden ondervonden.
2.
De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in artikel 4.3 sub a van dit hoofdstuk kan eveneens worden geweigerd indien de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen.
3.
De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt als volgt begrensd:
Het persoonsgebonden budget voor een woonvoorziening is gemaximeerd op een plafondbedrag zoals genoemd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Laarbeek.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.8
Beperkingen.
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Laarbeek 2013