Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g onderdeel 4, 5 en 6 van de Wet kan voor de in artikel 6, onder a vermelde voorziening in aanmerking komen indien:
aantoonbare beperkingen, of
problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg;
het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk maken en de algemene hulp bij het huishouden dit adequaat kan oplossen.
Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6 van de Wet kan voor de in artikel 6, onder b en c vermelde voorzieningen in aanmerking worden gebracht als:
de in artikel 6, onder a genoemde voorziening een onvoldoende oplossing biedt, of;
de in artikel 6, onder a genoemde voorziening niet beschikbaar is.