Een ondersteuningsbehoevende kan eerst dan voor een voorziening genoemd in artikel 4.1 in aanmerking worden gebracht, wanneer hij door zijn beperking of probleem niet in staat is het openbaar vervoer te bereiken of te gebruiken.
Een voorziening als genoemd in artikel 4.1 onderdeel a, zo nodig in combinatie met voorzieningen genoemd in artikel 4.1 onderdeel e en f, heeft voorrang boven de voorzieningen genoemd in artikel 4.1 onderdeel b tot en met d.
Bij de verlening van de voorzieningen genoemd in artikel 4.1 kan rekening worden gehouden met:
a de individuele vervoersbehoefte van de ondersteuningsbehoevende;
b de mate waarin de voorziening genoemd in artikel 4.1 onderdeel a in de individuele vervoersbehoefte kan voorzien;
c de mate waarin de vervoersbehoeften van echtgenoten samenvallen.