Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 5

Artikel 21

Veiligheidseisen

Onderdeel van HERZIENE VOORWAARDEN VOOR DE INGEBRUIKNAME VAN STANDPLAATSEN OP KERMISTERREINEN

1.. In een attractie mogen op plaatsen die door het publiek moeten of kunnen worden gepasseerd geen windtunnels, ventilatoren en dergelijke in werking zijn. 2.. De exploitant van een consumptiezaak, waarin olie en/of vet wordt verwarmd, moet in de onmiddellijke nabijheid van het verwarmingstoestel: een brandblusapparaat met een minimum-inhoud van 6 kg. CO2 of droogpoeder aanwezig hebben; voldoende goedpassende metalen deksels, om elke pan c.q. bak waarin olie en/of vet wordt verwarmd te kunnen afsluiten, aanwezig hebben. 3.. Verwarmingstoestellen die worden gestookt met gas, moeten zijn aangesloten door middel van slangen die speciaal voor de gebruikte gassoort zijn bestemd. De slangen moeten op de verbindingsplaatsen door middel van doelmatige klemmen zijn bevestigd. De slangen moeten tegen oververhitting zijn beschermd. 4.. De exploitant van een attractie waarin benzinemotoren worden gebruikt moet in de attractie een voor die attractie geschikt blusapparaat van voldoende inhoud aanwezig hebben. Wanneer het naar het oordeel van de commandant van de brandweer noodzakelijk is, moeten meerdere blusmiddelen aanwezig zijn. 5.. Wanneer het naar het oordeel van de commandant van de brandweer noodzakelijk is, moeten houders van andere dan in de vorige leden genoemde attracties zorg dragen voor de aanwezigheid van de nodige blusmiddelen. 6.. Het is verboden ballonnen met brandbaar gas te vullen op of aan de weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats. 7.. De exploitanten, bedoeld in het onder lid 2 van dit artikel bepaalde, moeten een bewijs kunnen tonen van de Keuringsdienst van Waren waaruit moet blijken, dat over een deugdelijke en goedgekeurde bereidingsplaats wordt beschikt. Dit bewijs mag geen oudere afgiftedatum hebben dan zes maanden.

Rechtspraak bij dit artikel