Naar hoofdinhoud

Artikel 2.5.30

Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen

Onderdeel van Bouwverordening 2012-II

a. Bij een gebouw moet ten behoeve van het parkeren en het stallen van auto’s in de juiste mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. In afwijking van lid 1a geldt dat voor ontwikkelingen in de binnenstad de parkeereis opgelost wordt in bestaande of nieuw te realiseren parkeervoorzieningen aan de rand van de binnenstad. De in lid 1 genoemde juiste mate van ruimte wordt bepaald met behulp van parkeernormen waarbij het volgende van toepassing is: De parkeernorm is opgenomen in bijlage 15 bij deze verordening. Bij ontwikkelingen met meerdere functies wordt uitgegaan van meervoudig gebruik van parkeerplaatsen, tenzij een zwaarwegend belang dat onmogelijk maakt. Als rekenregel bij meervoudig gebruik van parkeerplaatsen geldt dat de parkeereis gelijk is aan het berekende aantal parkeerplaatsen bij meervoudig gebruik + 25% van het verschil tussen de berekening zonder en met meervoudig gebruik. Voor de berekening wordt uitgegaan van de aanwezigheidspercentages volgens de CROW-publicatie 182. Bij de berekening van de parkeereis wordt rekening gehouden met de reductiefactoren zoals die in bijlage 15 zijn vermeld. Er kan onder in lid 3 genoemde voorwaarden een parkeernorm toegepast worden die onder de norm ligt. Er kan onder in lid 4 genoemde voorwaarden een parkeernorm toegepast worden die tussen de norm en de hoge norm ligt. Er kan onder in lid 5 genoemde voorwaarden een parkeernorm toegepast worden die boven de hoge norm ligt. De in lid 2 onder d genoemde voorwaarden zijn: De parkeernormen voor woningbouw worden niet verlaagd, ook niet bij functiewijziging of nieuwe bouwprojecten anders dan woningbouw. De aanvrager toont via te leveren relevante onderzoeken aan, dat de parkeernorm voor die specifieke functie op de betreffende locatie verlaagd kan worden, omdat de norm te hoog is. Een verlaging van de parkeernorm kan dus alleen als redelijkerwijs aannemelijk wordt gemaakt dat de functie minder parkeerders genereert dan met de vastgestelde norm wordt berekend. In concrete gevallen kan in afrondende zin een relatief beperkt aantal parkeerplaatsen komen te vervallen, zo lang dat niet leidt tot parkeeroverlast op de openbare weg; hierbij geldt dat de extra parkeerdruk op de openbare weg als gevolg van het bouwplan niet hoger mag worden dan 80% op het moment van de aanvraag. De in lid 2 onder e genoemde voorwaarden zijn: voor kantoren op intercity- of knooppuntlocaties en detailhandel op intercity- of knooppuntlocaties: een door de initiatiefnemer ingevuld ‘Formulier Mobiliteitsprofiel’ (zie bijlage 15) dat vervolgens door de gemeente is getoetst en geaccordeerd; voor kantoren op snelweg- of overige locaties op snelweg- of overige locaties: een door de initiatiefnemer ingevuld ‘Formulier Mobiliteitsprofiel’ (zie bijlage 15) dat vervolgens door de gemeente is getoetst en geaccordeerd. De in lid 2 onder f genoemde voorwaarden zijn: het in lid 4 vermelde geldt onverkort; het te verwachten extra autoverkeer als gevolg van de extra parkeerplaatsen boven de hoge norm leidt niet tot (extra) doorstromingsproblemen op de grote stadswegen. De gemeente onderzoekt dit; een openbare parkeergelegenheid boven 200 parkeerplaatsen wordt opgenomen in het gemeentelijke ParkeerrouteInformatieSysteem. De kosten daarvan zijn voor rekening van de aanvrager; de aanvrager en de gemeente komen de afspraken overeen in een parkeerovereenkomst. De in lid 1 bedoelde ruimten voor het parkeren van auto’s moeten afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: als de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 2,00 m bij 5,50 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen, en bij haaks of gestoken parkeren de ruimten ten minste 2,50 m bij 5,00 m bedragen; als de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte – voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst – ten minste 3,50 m bij 6,00 m bedragen, en bij haaks parkeren met een uitstapstrook langs het parkeervak ten minste 3,00 m breed en zonder uitstapstrook 3,50 m breed en ten minste 5,00 m lang bedragen. Als de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. De raad kan ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 1a in samenhang met lid 2 onder d, een en ander volgens de voorwaarden in lid 3. De raad kan ontheffing verlenen van: het bepaalde in lid 1a in samenhang met lid 2 onder e en f, een en ander volgens de voorwaarden in respectievelijk lid 4 en lid 5; het bepaalde in lid 1b, als het oplossen van de parkeereis op andere plaatsen dan op eigen terrein leidt tot onaanvaardbare consequenties; het bepaalde in het tweede tot en met het vijfde lid, met uitzondering van lid 2 onder d, als het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden in elk geval worden gerekend: een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers of bezoekers van het gebouw; een bestemming van het gebouw als parkeergarage, dan wel garagebedrijf. De raad kan nadere regels stellen voor het bepaalde in lid 1a en lid 7 voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien. Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen (Vervallen) Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding (Vervallen) Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet (Vervallen) Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet (Vervallen) Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering (Vervallen) Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering (Vervallen) Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen (Vervallen) Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen (Vervallen) HOOFDSTUK 3 DE MELDING Artikel 3.1 De wijze van melden (Vervallen) Artikel 3.2 Welstandscriteria (Vervallen) HOOFDSTUK 4 PLICHTEN TIJDENS EN BIJ VOLTOOIING VAN DE BOUW EN BIJ INGEBRUIKNEMING VAN EEN BOUWWERK Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden (Vervallen) Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden (Vervallen) Artikel 4.3 (Vervallen) Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw (Vervallen) Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden (Vervallen) Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen (Vervallen) Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten (Vervallen) Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein (Vervallen) Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein (Vervallen) Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder (Vervallen) Artikel 4.11 Bouwafval (Vervallen) Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden (Vervallen) Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen (Vervallen) Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming (Vervallen) HOOFDSTUK 5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheidsinstallaties, aansluitingen op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en hinderlijk gedierte Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen (Vervallen) Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen (Vervallen) Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (Vervallen) Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen (Vervallen) Artikel 5.2.2 (Vervallen) Artikel 5.2.3 (Vervallen) Artikel 5.2.4 (Vervallen) Artikel 5.2.5 (Vervallen) Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding (Vervallen) Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet (Vervallen) Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet (Vervallen) Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering (Vervallen) Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering (Vervallen) Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen (Vervallen) Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen (Vervallen) Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid Artikel 5.4.1 Preventie (Vervallen) HOOFDSTUK 6 BRANDVEILIG GEBRUIK (Vervallen) HOOFDSTUK 7 OVERIGE GEBRUIKSBEPALINGEN Paragraaf 1 Overbevolking Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen (Vervallen) Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens (Vervallen) Paragraaf 2 Staken van het gebruik Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid (Vervallen) Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne (Vervallen) Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen (Vervallen) Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen Artikel 7.3.1 (Vervallen) Artikel 7.3.2 Hinder (Vervallen) Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid Artikel 7.4.1 Preventie (Vervallen) Paragraaf 5 Watergebruik Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water (Vervallen) Paragraaf 6 Installaties Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties (Vervallen) HOOFDSTUK 8 SLOPEN Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen (Vervallen) Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning (Vervallen) Artikel 8.1.3 In behandeling nemen (Vervallen) Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing (Vervallen) Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen (Vervallen) Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen (Vervallen) Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen (Vervallen) Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen Artikel 8.2.1 Sloopmelding (Vervallen) Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen (Vervallen) Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein (Vervallen) Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden (Vervallen) Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen (Vervallen) Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt (Vervallen) Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest (Vervallen) Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen (Vervallen) Paragraaf 4 Vrij slopen Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen (Vervallen) HOOFDSTUK 9 WELSTAND Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie De welstandscommissie adviseert over: de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen; gevallen waarin dat ingevolge deze verordening is vereist; gevallen waarin dit ingevolge de Monumentenwet 1988 / de Erfgoedverordening is vereist; reclame uitingen als bedoeld in artikel 4.4.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening; gevallen als bedoeld in artikel 2.1.5.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening. De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria. De commissie kan desgewenst uit eigen beweging aan burgemeester en wethouders adviseren over aangelegenheden die de welstand betreffen. Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie De welstandscommissie bestaat ten minste uit vijf leden, waaronder een voorzitter, waarvan ten minste drie leden deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie. De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand. De leden van de commissie zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur. Artikel 9.3 Benoeming en zittingduur (Vervallen) Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota; de werkwijze van de welstandscommissie; op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; de aard van de beoordeelde plannen; de bijzondere projecten. De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder. Artikel 9.5 Termijn van advisering De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht. De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht. Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van een welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie is openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan. In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld. Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, voorziet in een procedurele opzet, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in de toelichtende fase en de beraadslagingen. Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies, in afwijking van artikel 9.2, onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid of de aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. In elk geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie. Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk. Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen. Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken (Vervallen) Artikel 9.10 Overgangsbepaling Na samenvoeging van de welstandscommissie en de monumentencommissie tot één commissie dient bij lezing van deze verordening voor “welstandscommissie” gelezen te worden: de geïntegreerde monumenten- en welstandscommissie. HOOFDSTUK 10 OVERIGE ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning (Vervallen) Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen (Vervallen) Artikel 10.3 Overdragen vergunningen Door of namens burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning, de bouwvergunning eerste fase, de woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet, de gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1, dan wel een omgevingsvergunning op aanvraag van de rechtsverkrijgende overgeschreven op naam van een ander dan degene op wiens naam de vergunning is gesteld. Artikel 10.4 (Vervallen) Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen (Vervallen) Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. HOOFDSTUK 11 HANDHAVING Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw (Vervallen) Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming (Vervallen) Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen (Vervallen) HOOFDSTUK 12 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 12.1 Strafbare feiten (Vervallen) Artikel 12.2 Overgangsbepalingen bodemonderzoek (Vervallen) Artikel 12.3 Overgangsbepalingen met betrekking tot de staat van open erven en terreinen (Vervallen) Artikel 12.4 (Vervallen) Artikel 12.5 Overgangsbepalingen Op een aanvraag om een bouwvergunning, ontheffing of toestemming of een aanvraag om omgevingsvergunning, die is ingediend voor de inwerkingtreding van de Bouwverordening 2012-II en waarop op dit tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de Bouwverordening 2012 van toepassing zoals die luidden voor deze wijziging, tenzij de aanvrager aangeeft dat de gewijzigde bepalingen worden toegepast. Dit geldt niet voor de van rechtswege vervallen artikelen van de bouwverordening, omdat voor het voor deze artikelen in de plaats komende rijksregelgeving een dergelijke mogelijkheid niet kent. Artikel 12.6 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na publicatie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel