1. De vergunning kan door het bevoegd gezag worden
ingetrokken indien:
a. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
onvolledige opgave is verleend;
b. blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als
bedoeld in artikel 12, tweede lid, niet naleeft;
c. de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient
te wegen;
d. 2 jaar na de verlening geen gebruik is gemaakt van de
vergunning.
2. Het bevoegd gezag stelt de vergunninghouder van het
voornemen tot intrekking van de vergunning in kennis.
3. Een afschrift van het besluit tot intrekking wordt aan de
monumentencommissie gezonden.