De opsporing van de in artikel 35 strafbaar gestelde feiten is, naast de
in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde
opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door het bevoegd gezag met
de zorg voor de naleving van deze verordening zijn belast, ieder voor
zover het de feiten betreft die in de aanwijzing zijn vermeld.