De beleidsregel ambtshalve vermindering gemeentelijke belastingen geldt voor alle belastingen en rechten. De heffingsmaatstaf voor de onroerende zaakbelastingen (OZB) is echter gebaseerd op de waarde van de betreffende onroerende zaak, zoals die bij de WOZ-beschikking is vastgesteld. Voor de Wet woz bestaat een aparte regeling voor ambtshalve vermindering. Voor zover dat regime ook de OZB aanslagen raakt, worden de OZB aanslagen dan ook uitgesloten van de beleidsregels. In artikel 44 van de Wet WOZ en het bijbehorende Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken is het volgende regime vastgelegd: indien binnen 5 jaar na het nemen van de beschikking blijkt, dat de waarde te hoog is vastgesteld, vindt ambtshalve vermindering plaats indien de waarde tenminste 20% lager had moeten worden vastgesteld, met een minimum van
€ 5.000,00.
Termijn
Als termijn waarbinnen nog ambtshalve vermindering wordt verleend, is in de rijksregeling gekozen voor vijf jaar na het ontstaan van de belastingschuld. Deze termijn komt overeen met de termijn waarbinnen navordering en naheffing mogelijk zijn. Het wordt rechtvaardig geacht de burger voor te hoog vastgestelde aanslagen gedurende dezelfde periode tegemoet te komen als het de overheid (onder voorwaarden) mogelijk is te laag vastgestelde aanslagen te herstellen.
Het staat gemeenten vrij voor een andere periode te kiezen. Dit is een afweging die deel uitmaakt van de gemeentelijke autonomie in eigen belastinggebied. De gemeentelijke belastingheffing is niet gebonden aan interne richtlijnen die door de staatssecretaris van Financiën worden uitgevaardigd aan de Rijksbelastingdienst. Het staat gemeenten vrij een alternatief termijn op te nemen voor de ambtshalve vermindering. Een alternatief voor de vijfjaartermijn dat in de praktijk door gemeenten veel gebruikt wordt, is een termijn van drie jaar. Dit in verband met artikel 11, derde lid, van de AWR, dat bepaalt, dat de bevoegdheid tot het vaststellen van aanslagen vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.
Ook in de gemeente Berkelland is om die reden in de beleidsregels gekozen voor een driejaartermijn.
De overweging die daaraan ten grondslag ligt, is de volgende:
In het geval dat een belastingplichtige die meent onjuist of onterecht aangeslagen te zijn, de termijnen voor bezwaar en beroep ongebruikt heeft laten verlopen, staat de aanslag in principe vast. Het herstel van een onjuist of onterecht opgelegde aanslag betekent een alsnog verminderde belastingopbrengst. De vraag is wie deze kostenpost dient te dragen. In principe bestaan hiervoor drie mogelijkheden:
degene die ten onrechte niet is aangeslagen maar wel belastingplichtig was;
De overheid, die de aanslag onterecht heeft opgelegd een daarmee de gemeenschap (opbrengstverlies);
Degene die ten onrechte is aangeslagen maar daartegen geen bezwaar heeft aangetekend.
Zolang mogelijkheid a bestaat gaat in veel gemeenten de voorkeur ernaar uit de juiste belastingplichtige alsnog aan te slaan. Zodra echter die mogelijkheid is uitgesloten wegens het verloop van drie jaren na het ontstaan van de belastingplicht, is de keus moeilijker.
In geval b, draait de gemeenschap op voor een fout van de overheid, in geval c een ten onrechte aangeslagen burger. Deze laatste heeft echter de mogelijkheid gehad bezwaar te maken tegen de aanslag en heeft hiervan geen gebruik gemaakt. In dat geval zijn veel gemeenten van mening dat er meer reden is deze burger te laten opdraaien voor een fout die hij niet heeft aangevochten dan de gehele gemeenschap, die hierin geen enkele rol heeft gehad.
Navorderen en naheffen (de aanslag is dan voor een te laag bedrag opgelegd) kan onder voorwaarden gedurende een periode van vijf jaar na het ontstaan van de belastingschuld. Deze situaties komen bij de gemeentelijke belastingen in tegenstelling tot de rijksbelastingen vrijwel niet voor. Het hanteren van een vijfjaartermijn ligt voor het Rijk daarom veel meer voor de hand dan voor een gemeente.
Het terugdraaien van een aanslag bij de verkeerde persoon en vervolgens opleggen aan de juiste persoon is een situatie die daarentegen bij de gemeentelijke belastingen veel vaker voorkomt. Het alsnog opleggen aan de juiste persoon dient, zoals eerder vermeld, plaats te vinden binnen een periode van drie jaar na het ontstaan van de belastingschuld. Het hanteren van een driejaartermijn ligt voor een gemeente daarom meer voor de hand.
Overigens is er ook nog de mogelijkheid gebruik te maken van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule) dat voor onvoorziene gevallen uitkomst kan bieden. Echter gevallen die door hantering van welke termijn dan ook net buiten de boot vallen, kunnen hier geen baat bij hebben, omdat nadrukkelijk bedoeld is dergelijke gevallen niet in aanmerking te laten komen voor ambtshalve vermindering.
Hoofdstuk
Artikel 1
Reikwijdte en definities
Onderdeel van Beleidsregel ambtshalve vermindering gemeentelijke belastingen (met uitzondering van de onroerende zaakbelastingen)