In artikel 4 lid 1 van de wet zijn de domeinen aangegeven waarvoor de compensatieplicht geldt. In artikel 2 van de verordening is deze resultaatsverplichting voor de gemeente uiteengezet in te bereiken resultaten. In hoofdstuk 4 van de verordening zijn algemene regels en specifieke regels ten aanzien van de beoordeling van de te bereiken resultaten opgenomen. Hieronder wordt per resultaat het “afwegingskader” aangegeven.
2.1 Resultaat 1: een schoon en leefbaar huis
Het gaat om alle activiteiten teneinde het huis schoon en leefbaar te houden. Uitgangspunt is dat rekening wordt gehouden met die kamers/delen van het huis die frequent gebruikt worden.
Allereerst beoordeelt het college of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn.
Vervolgens beoordeelt het college of er andere (eigen) mogelijkheden zijn. Hieronder valt ook een zorgzwaartepakket (zzp) in de vorm van een persoonsgebonden budget of een volledig pakket thuis op grond van de AWBZ op basis waarvan de ondersteuningsvrager de hulp in huis al kan regelen en financieren.
Daarna beoordeelt het college of er sprake is van gebruikelijke zorg. Van gebruikelijke zorg is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Of sprake van inwonendheid is, wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. Er wordt rekening gehouden met de redelijkerwijs van huisgenoten te verwachten hulp. “Redelijkerwijs” wil zeggen dat er rekening wordt gehouden met de bestaande taakverdeling werken-leren-huishouding in de totale leefeenheid, en niet alleen met de theoretische mogelijkheid tot het leveren van een bijdrage in het huishouden. Bij gebruikelijke zorg wordt gelet op de leeftijd van de huisgenoot. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren bijvoorbeeld door hun eigen kamer schoon te houden en/of door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas, enz.. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen draaien. Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig huishouden te kunnen draaien. Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen runnen.
Als het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem, compenseert het college. Bij het compenseren wordt gestreeft naar maatwerk en wordt een normensysteem gehanteerd waarmee het te bereiken resultaat: een schoon en leefbaar huis bereikt kan worden.
De hulp kan door het college worden toegekend in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget (zie hoofdstuk 3).
Hulp bij het huishouden in natura kent het college toe in uren en minuten per week.
Ook bij mantelzorgers kan sprake zijn van problemen met een schoon huis. Dit is een afgeleid recht van de verzorgde, zodat géén zelfstandige aanspraak voor compensatie voor de mantelzorger ontstaat.
2.2 Resultaat 2: wonen in een geschikt huis
Uitgangspunt is dat iedereen eerst zelf zorg dient te dragen voor een woning. Daarbij mag er van uit worden gegaan dat rekening wordt gehouden met bekende beperkingen en met beperkingen die redelijkerwijs in de toekomst te verwachten zijn.
Het college beoordeelt allereerst of het resultaat: wonen in een geschikt huis, ook te bereiken is via een verhuizing. Nadere regels hierover zijn onder 3.7 opgenomen.
Als sprake is van een aanvraag van een mantelzorgwoning gaat het college ook daarbij uit van de eigen verantwoordelijkheid voor het hebben van een (geschikte) woning.
Als voor het bereiken van het resultaat noodzakelijk is dat er een aanbouw geplaatst wordt, besluit het college vanwege financieel-economische argumenten alleen tot een aanbouw als tevoren vast staat dat de aanbouw hergebruikt kan worden, zoals bij huurwoningen van woningcorporaties. Bij eigen woningen zal de kans op hergebruik miniem zijn. Daarom kiest het college bij eigen woningen als het maar enigszins kan voor het plaatsen van een herbruikbare losse woonunit en heeft aandacht voor de vergunning(en) daarvoor. Nadere regels hierover zijn onder 3.5 opgenomen.
Als een inpandige aanpassing mogelijk is, bijvoorbeeld in de situatie van een ruime benedenverdieping, zal het college allereerst die situatie beoordelen voordat uitbreiding van de woning aan de orde komt.
Bij aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten, als opgesomd in artikel 13 lid 5 onder f van de verordening, beoordeelt het college of het verantwoord is de voorzieningen op een voor eenieder bereikbare plaats te zetten. Ook kijkt het college naar zaken als slijtage door weer en wind.
Bij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt het college altijd eerst met een programma van eisen, waarmee meerdere offertes opgevraagd worden.
Als het gaat om een aanpassing van een eigen woning zal het college ook beoordelen wat iemands mogelijkheden zijn om uit een oogpunt van kosten zelf in de compenserende voorziening te voorzien (zie artikel 4 van de verordening).
Een ondersteuningsvrager die op basis van aantoonbare beperkingen gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg vertoont en zich alleen dient af te zonderen of tot rust te komen, kan een uitraasruimte geboden worden.
Het aanpassen van doelgroepengebouwen zal gebeuren conform de afspraken zoals die door het college gemaakt zijn of worden met de (toekomstige) eigenaar van deze woningen. Aanpassingen die bij nieuwbouw of bij renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden, zijn uitgesloten.
Een bouwkundige aanpassing aan een woning wordt ingevolge artikel 7 lid 2 van de wet door het college uitbetaald aan de eigenaar van de woning. De beschikking wordt verstuurd aan de ondersteuningsvrager met een afschrift aan de eigenaar.
Een niet-bouwkundige aanpassing aan de woning kan door het college in natura en als persoonsgebonden budget worden verstrekt aan de ondersteuningsvrager.
Bij het bepalen van al dan niet bouwkundige woonvoorzieningen houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden.
Bij het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding houdt het college rekening met de mate waarin de verhuizing te verwachten of te voorspellen was. Bij een te verwachten of voorspelbare verhuizing wordt in principe geen verhuiskostenvergoeding toegekend. Voor een dergelijke verhuizing wordt geacht dat de ondersteuningsvrager zelf heeft gereserveerd.
2.3 Resultaat 3: goederen voor primaire levensbehoeften
Onder dit resultaat worden gerekend de boodschappen inzake levens- en schoonmaakmiddelen die dagelijks nodig zijn en zo nodig de bereiding van maaltijden.
Allereerst beoordeelt het college of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn.
Vervolgens zal het college beoordelen of er andere eigen mogelijkheden zijn.
Daarna beoordeelt het college of er sprake is van gebruikelijke zorg.
Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem zal het college compenseren met een individuele Wmo voorziening. Uitgangspunt is: één maal in de week boodschappen.
De normtijden hiervoor worden uitgedrukt in uren en/of minuten.
Het college houdt rekening met de belangen van mantelzorgers. Zo kan in geval van dreigende overbelasting een individuele voorziening aan de verzorgde worden toegekend. Deze voorziening kan dan niet – als het een pgb betreft - door de mantelzorger worden ingevuld: het gaat immers om diens (dreigende) overbelasting Ook hier gaat het om een afgeleid recht. Het college kan ook op voorhand rekening houden met periodes van afwezigheid van de mantelzorger, bijvoorbeeld bij vakantie.
2.4 Resultaat 4: beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding
Allereerst beoordeelt het college of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn.
Vervolgens beoordeelt het college of er andere eigen mogelijkheden zijn die benut kunnen worden.
Daarna beoordeelt het college of er sprake is van gebruikelijke zorg.
Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem zal het college compenseren met een individuele Wmo voorziening.
De inhoud van het resultaat schone en doelmatige kleding bestaat uit het wassen en drogen daarvan.
Wat betreft het strijken van kleding worden er geen lakens, theedoeken, zakdoeken en ondergoed etc. gestreken. Wat betreft de kleding wordt uitgegaan van een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de keuze van kleding, die in principe niet hoeft te worden gestreken.
Er zal met de mantelzorger rekening worden gehouden met het oog op dreigende overbelasting. Als er een indicatie wordt gesteld, gebeurt dat als afgeleide van de verzorgde op zijn of haar naam.
2.5 Resultaat 5: het thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren
Allereerst beoordeelt het college of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn.
Ook beoordeelt het college de mogelijkheden van ouderschapsverlof.
Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem zal het college compenseren met een individuele Wmo voorziening.
Bij tijdelijke opvang gaat het om die tijden dat de partner vanwege werkzaamheden niet thuis is.
Bij de toekenning stelt het college bij beschikking vast om welke tijdelijke periode het gaat en op welke wijze gezocht dient te worden naar een definitieve oplossing.
Ten aanzien van mantelzorgers zal door het college rekening worden gehouden met hun belangen als het gaat om het thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren.
2.6 Resultaat 6: verplaatsen in en om de woning
Het gaat om het zich verplaatsen in en om de woning. Dat betekent dat het om verplaatsingen gaat die direct vanuit de woning worden gedaan. Daarom gaat het hier om ondersteuningsvragers die voor het dagelijks zittend verplaatsen zijn aangewezen op een rolstoel.
Rolstoelen voor het zogenaamde ‘incidentele’ gebruik, waarbij de rolstoel in de auto wordt meegenomen om elders, bij het winkelen of bij uitstapjes, te gebruiken, vallen niet onder dit te bereiken resultaat en zullen dan ook ter beschikking komen dan wel zijn via een algemene voorziening in de vorm van een rolstoelpool.
De sportrolstoel wordt niet gerekend tot een rolstoel voor het verplaatsen in en rond de woning1.
Als er noodzaak bestaat voor een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik, zal via een medisch en al dan niet ergotherapeutisch advies door het college een programma van eisen worden opgesteld.
Een rolstoel kan door het college verstrekt worden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget.
Bij verstrekking in natura vallen alle kosten van onderhoud en verzekering onder de verstrekking.
Bij een verstrekking als persoonsgebonden budget wordt de rolstoel die betrokkene zou hebben gekregen als voorziening in natura als uitgangspunt genomen.
Ten aanzien van mantelzorgers zal door het college rekening worden gehouden met hun belangen.
1 Indien de gemeente er voor kiest sportrolstoelen te verstrekken, vallen deze onder het achtste resultaat: hebben van contacten en deelname aan maatschappelijke activiteiten.
2.7 Resultaat 7: lokaal verplaatsen per vervoermiddel
Om voor een individuele Wmo voorziening in aanmerking te komen zal het college eerst nagaan of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle mogelijke alternatieven
(o.a. vervoersvoorzieningen vanuit andere wetgeving in verband met ziekte/zorg, werk of opleiding) al zijn beoordeeld.
Als het college dient te compenseren zal allereerst gekeken worden waar de vervoersbehoefte van de ondersteuningsvrager uit bestaat. Bij het bepalen van de relevante vervoersbehoefte gaat het niet om de vraag hoe vaak een ondersteuningsvrager een bepaalde bestemming wil bereiken, maar om de vraag hoe vaak hij dat moet kunnen doen om deel te nemen aan het 'leven van alledag' en om de daarvan deel uitmakende wezenlijke sociale contacten te onderhouden. Wat mensen normaal gesproken van dag tot dag plegen te doen c.q. zouden doen wanneer het gaat om zichzelf (buitenshuis) te verplaatsen (ook gelet op hun financiële capaciteit) dient derhalve uitgangspunt te zijn bij de beoordeling van aanvragen voor vervoersvoorzieningen. Indien hierbij beperkingen worden ondervonden dienen deze beperkingen te worden verminderd om een sociaal isolement te voorkomen.
Aan de hand van deze vervoersbehoefte zal het college beoordelen of deze behoefte bij een persoon met een maximale loopafstand van 800 meter ingevuld kan worden met een systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer. Hierbij houdt het college rekening met de persoonskenmerken, behoeften en financiële capaciteit van de ondersteuningsvrager.
Met een systeem voor collectief vervoer of met een andere individuele voorziening wordt de benodigde vervoersbehoefte ingevuld. Wanneer deze behoefte duidelijk minder is dan het maximaal te verstrekken zones (900) of km (2000) per jaar, wordt deze compensatieomvang in de beschikking opgenomen. Indien daar aanleiding voor is, kan het college het maximaal aantal zones of km per jaar ophogen. Wanneer er sprake is van een zeer lage vervoersbehoefte, minder dan 150 zones per jaar, ziet het college het collectief vervoer als een openbaar vervoersysteem voor de ondersteuningsvrager. Het collectief vervoer als openbaar vervoersysteem is voorliggend op het collectief vervoer op basis van de Wmo.
Bij personen met een loopafstand van minder dan 100 meter zal het college beoordelen of naast een voorziening als collectief vervoer ook nog een vervoersvoorziening verstrekt moet worden voor de zeer korte afstand.
Ook bij personen met een loopafstand van meer dan 100 meter, maar minder dan 800 meter, zal het college beoordelen of een voorziening voor de zeer korte afstand noodzakelijk is.
Indien collectief vervoer niet mogelijk is, kan het college een individuele voorziening in de vorm van een voorziening in natura, een persoonsgebonden budget of een forfaitaire vergoeding te besteden aan vervoer verstrekken.
Bij het verstrekken van voorzieningen die af te leiden zijn van de auto, beoordeelt het college of er sprake is van meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden. Alleen dan komt men in aanmerking voor een individuele voorziening.
Voorzieningen kunnen door het college verstrekt worden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget.
Bij een persoonsgebonden budget is de voorziening die de ondersteuningsvrager als voorziening in natura zou ontvangen voor het college uitgangspunt voor de hoogte van het bedrag.
Met de positie van mantelzorgers kan rekening worden gehouden bij het bepalen van de vervoersvoorziening.
2.8 Resultaat 8: hebben van contacten en deelname maatschappelijke activiteiten
Het college beoordeelt altijd eerst of andere, algemeen gebruikelijke, voorliggende en andere gemakkelijk zelf te realiseren voorzieningen mogelijk zijn.
Als het gaat om een vervoerprobleem zal het college eerst beoordelen of dit via het zevende resultaat opgelost kan worden.
Om sociale verbanden te kunnen aangaan of te kunnen onderhouden, met bijvoorbeeld de ouders, kan het college een woonvoorziening verstrekken ten behoeve van het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de ondersteunings-vrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling. De vegoeding voor deze woonvoorziening is aan een maximumbedrag gebonden, zie 4.14 onder b. Het bezoekbaar maken houdt in dat de ondersteuningsvrager dan de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken en gebruiken.
Artikel 2
Beoordeling van de te bereiken resultaten
Onderdeel van Beleidsregels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Bronckhorst 2013