Aan deze mandatering zijn de volgende voorwaarden verbonden:

  • - Ondermandaat van de bevoegdheden in artikel 1, leden 1 tot en met 6 en 8 is toegestaan, ondermandaat van de bevoegdheid genoemd in artikel 1, leden 7, 9 en 10 is niet toegestaan.
  • - Het mandaat onder artikel 1 lid 4 wordt uitgeoefend onder naleving van de door het college van burgemeester en wethouders bij het ‘Mandaatbesluit directeur RDW’ van 2 december 1997 gestelde voorwaarden en het besluit tot benoeming van de algemeen directeur RDW tot onbezoldigd gemeenteambtenaar van 2 december 1997, met dien verstande dat het bepaalde onder 2 van laatstgenoemd besluit met ingang van 1 januari 2001 is vervangen door de mandaatverlening als bedoeld in artikel 1 lid 4 van het onderhavige besluit.
  • - Het mandaat onder artikel 1 lid 7 wordt uitgeoefend met betrekking tot de inning van de gevorderde rechten en met inachtneming van het bepaalde in ”de instructie heffing en inning rechten standplaatsen woonwagens” van 19 december 2007.
  • - Uitgesloten van het mandaat is het vervaardigen van een aanmaning bij betalingsachterstand en het verdere proces van dwanginvordering.