Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 2

Voorwaarden mandaatverlening.

Onderdeel van Besluit mandaatverlening inspecteur gemeentelijke belastingen

Aan deze mandatering zijn de volgende voorwaarden verbonden: Ondermandaat van de bevoegdheden in artikel 1, leden 1 tot en met 7 is toegestaan, ondermandaat van de bevoegdheid genoemd in artikel 1, leden 8 tot en met 12 is niet toegestaan. Het mandaat onder artikel 1 lid 5 wordt uitgeoefend onder naleving van de door het college van burgemeester en wethouders bij het ‘Mandaatbesluit directeur RDW’ van 2 december 1997 gestelde voorwaarden en het besluit tot benoeming van de algemeen directeur RDW tot onbezoldigd gemeenteambtenaar van 2 december 1997, met dien verstande dat het bepaalde onder 2 van laatstgenoemd besluit met ingang van 1 januari 2001 wordt vervangen door de mandaatverlening als bedoeld in artikel 1 lid 4 van het onderhavige besluit. Het mandaat onder artikel 1 lid 6 wordt uitgeoefend met inachtneming van het bepaalde in ”de instructie heffing en inning rechten standplaatsen woonwagens” van 1 november 2000. Het mandaat onder artikel 1, lid 1 tot en met 12 omvat: het vaststellen van de gevorderde rechten en belastingen, het vaststellen van het bedrag van de ontheffing in die gevallen waarin de belastingplicht eindigt voor het einde van het belastingtijdvak en conform de daarvoor in de bij de Verordening Leges behorende tarieventabel opgenomen bepaling. De behandeling van bezwaarschriften tegen opgelegde belastingnota’s en ontheffingsbeschikkingen is, voor zover niet anders vermeld, uitgesloten van dit mandaat.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel