Naar hoofdinhoud
1.. Het lidmaatschap van het Algemeen Bestuur eindigt van rechtswege, zodra men ophoudt College lid van de desbetreffende deelnemende gemeente te zijn. 2.. De raden van de deelnemende gemeenten benoemen in de eerste vergadering van de nieuwe zittingsperiode, of zo spoedig mogelijk daarna, de door hen aan te wijzen leden van het Algemeen Bestuur. Aftredende leden kunnen opnieuw als lid worden aangewezen. 3.. De raad van een gemeente kan een door hem aangewezen lid, indien dit het vertrouwen van de raad niet meer bezit, te allen tijde ontslaan. Het college doet daarvan onmiddellijk mededeling aan de voorzitter van het Algemeen Bestuur. 4.. Een lid van het Algemeen Bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Het ontslag wordt medegedeeld aan het Algemeen Bestuur en aan de gemeenteraad die het lid heeft aangewezen. 5.. Een lid van het Algemeen Bestuur dat ontslag heeft genomen blijft zijn functie waarnemen totdat zijn/haar opvolger is aangewezen en deze de aanwijzing heeft aanvaard. 6.. Indien tussentijds een plaats van een lid van het Algemeen Bestuur vacant of beschikbaar komt, wijst de betreffende gemeenteraad, in haar eerstvolgende vergadering of, indien dit niet mogelijk is, ten spoedigste een nieuw lid aan; lid 1 is van overeenkomstige toepassing. 7.. Van elke aanwijzing tot lid van het Algemeen Bestuur geeft het college van de gemeente binnen twee weken hiervan kennis aan de voorzitter van het Algemeen Bestuur. 8.. Indien een gemeente overeenkomstig het bepaalde in artikel 39 van deze regelingtot de gemeenschappelijke regeling is toegetreden, wijst de raad van die gemeente in de eerste vergadering, volgend op de inwerkingtreding van de toetreding, leden aan voor het Algemeen Bestuur.

Rechtspraak bij dit artikel