**1..** De toeslag bedraagt:
20 procent van de gehuwdennorm voor een belanghebbende in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft;
10 procent van de gehuwdennorm voor een belanghebbende die met één of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.
**2..** Voor toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten van het bestaan in ieder geval in het geheel niet worden gedeeld met:
niet ten laste komende kinderen jonger dan 21 jaar met een inkomen van ten hoogste 51% van de gehuwdennorm;
meerderjarige kinderen met studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF);
meerderjarige kinderen met een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos);
de verzorgingsbehoevende die bij de belanghebbende of jongere inwoont en door hem wordt verzorgd.
**3..** In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar nul procent (0%).
Hoofdstuk 2
Artikel 3
– Toeslag alleenstaande (ouder)
Onderdeel van Toeslagenverordening Wet werk en bijstand