Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 3

– Toeslag alleenstaande (ouder)

Onderdeel van Toeslagenverordening Wet werk en bijstand

1.. De toeslag bedraagt: 20 procent van de gehuwdennorm voor een belanghebbende in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft; 10 procent van de gehuwdennorm voor een belanghebbende die met één of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft. 2.. Voor toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten van het bestaan in ieder geval in het geheel niet worden gedeeld met: niet ten laste komende kinderen jonger dan 21 jaar met een inkomen van ten hoogste 51% van de gehuwdennorm; meerderjarige kinderen met studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF); meerderjarige kinderen met een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos); de verzorgingsbehoevende die bij de belanghebbende of jongere inwoont en door hem wordt verzorgd. 3.. In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar nul procent (0%).

Rechtspraak bij dit artikel