Naar hoofdinhoud
1.. De hoogte van een door het college van burgemeester en wethouders te verlenen financiële tegemoetkoming voor vervoersvoorzieningen als bedoeld in artikel 36, onder c sub 2 t/m sub 5 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning, is een forfaitaire (of gemaximeerde) vergoeding. Voor de vaststelling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de volgende normbedragen: voor de tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een eigen auto geldt een normbedrag van € 848,- per kalenderjaar; voor een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een bruikleenauto geldt een normbedrag van € 596,- per kalenderjaar; voor een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een taxi geldt een normbedrag van € 1.240,- per kalenderjaar; voor een tegemoetkoming in de kosten van het alleengebruik (volledig leefvervoer) van een taxi geldt een normbedrag van € 1.732,- per kalenderjaar; voor een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een rolstoeltaxi geldt een normbedrag van € 2.090,- per kalenderjaar; voor een tegemoetkoming in de kosten van het alleengebruik (volledig leefvervoer) van een rolstoeltaxi geldt een normbedrag van € 2.820,- per kalenderjaar. 2.. Indien de rechthebbende tevens in het bezit is van een in het kader van de Wvg of Wmo verstrekte scootmobiel of vergelijkbaar vervoermiddel, worden de in artikel 8 lid 1 genoemde tegemoetkomingen verlaagd met een percentage van 25.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel