Lid 1
Op grond van artikel 25 WWB kan het college de norm voor een alleenstaande (ouder) van 21 jaar of ouder verhogen met een toeslag indien een belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander. Artikel 3 van deze verordening vormt overigens het spiegelbeeld van artikel 4 van deze verordening.
De gemeenteraad is op grond van artikel 30 lid 2 WWB verplicht te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van de norm of toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in artikel 3 lid 1 onderdeel a van deze verordening.
Als in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden. Zolang geen sprake is van gehuwden of van een gezamenlijke huishouding moet ervan worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn plaats. Gekozen is voor 10 procent van de gehuwdennorm (zie artikel 3 lid 1 onderdeel b van deze verordening).
Lid 2
In het tweede lid is geregeld dat zowel zorgbehoevenden (sub a) als verzorgers (sub b) niet worden meegeteld als personen waarmee kosten gedeeld kunnen worden. Uitgangspunt daarbij is dat het niet wenselijk is om belanghebbende vanwege deze verzorgingstaken te confronteren met een lagere toeslag.
Om als zorgbehoevend en daarmee als alleenstaande te worden behandeld, geldt een aantal voorwaarden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen personen jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd en personen ouder dan de pensioengerechtigde leeftijd.
Voor personen jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, gelden de volgende criteria (artikel 4 lid 5 onderdeel a WWB):
De persoon behoort eigenlijk tot het gezin als bedoeld in artikel 4 lid 1 onderdeel c WWB. Het moet dus gaan om een gehuwde, alleenstaande of alleenstaande ouder met een of meer meerderjarige kinderen dan wel een meerderjarig kind dat inwoont bij zijn (ouder)s;
de persoon heeft een AWBZ-indicatie van tenminste 10 uren zorg per week, waarbij het een of meer van de volgende typen zorg betreft:
persoonlijke verzorging
verpleging
begeleiding
verblijf
voortgezet verblijf
Bij begeleiding, verblijf en voorgezet verblijf geldt een dagdeel als 4 uren en een etmaal als 24 uren.
De persoon maakt voor tenminste 10 AWBZ-geïndiceerde uren per week geen gebruik van een persoonsgebonden budget en laat hiervoor ook geen zorg in natura verlenen door een zorgaanbieder. Er kan wel professionele zorg worden verleend. Hierbij geldt echter dat professionele zorg voor tenminste 10 uren afwezig is.
Het moet aannemelijk zijn dat de geïndiceerde zorg, waarvoor geen professionele zorg wordt ontvangen (ten minste 10 uur, zie onder 3), volledig wordt verleend door de ouder(s) dan wel door de meerderjarige kind(eren) die tot het gezin behoren. Het gaat hier dus alleen om zorg aan één of beide ouders (door meerderjarige kinderen) of aan één of meer meerderjarige kinderen (door ouders). Een partner die zijn andere zorgbehoevende partner verzorgt of broers of zussen die elkaar verzorgen, vallen niet onder de in artikel 4 lid 5 WWB beschreven uitzonderingssituatie (zie ook TK 2010-2011, 32 815, nr. 7, p. 25).
Een persoon ouder dan de pensioengerechtigde leeftijd moet eveneens aan de hiervoor onder 1, 2, 3 en 4 genoemde voorwaarden voldoen om als zorgbehoevend en daarmee als alleenstaande te worden aangemerkt. Voor hem geldt echter nog een aanvullende voorwaarde. Hij moet op de dag vóórdat hij recht heeft op ouderdomspensioen op grond van de AOW, reeds voldoen aan de hiervoor onder 2 genoemde voorwaarde (zie artikel 4 lid 5 onderdeel b WWB). Dat betekent dat hij op de dag vóórdat hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, moet beschikken over een geldige AWBZ-indicatie van 10 uur of meer per week (zie ook TK 2010-2011, 32 815, nr. 38, p. 3).
Belanghebbende moet aantonen dat hij zorgbehoevend is. Dat kan door het overhandigen van (een kopie van) een geldig indicatiebesluit of door het college toestemming te geven dit gegeven op te vragen bij het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) of bij een andere instelling die over deze informatie beschikt (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 48
Kosten kunnen ook niet gedeeld worden met het inwonende meerderjarige kind met een inkomen tot maximaal 50 procent van de gehuwdennorm.
Lid 3 en 4
Op grond van artikel 29 lid 1 WWB kan het college de toeslag voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend vaststellen. Dat is geregeld in artikel 3 lid 3 en 4 van deze verordening. In het derde lid is de toeslag geregeld voor een alleenstaande van 21 jaar. In het vierde lid is de toeslag vastgesteld voor een alleenstaande van 22 jaar.
Lid 5
Jegens een belanghebbende mag niet tegelijkertijd een verlaging voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar en een schoolverlatersverlaging worden toegepast. Dit volgt uit artikel 30 lid 2 onderdeel b WWB. Om die reden is in het vijfde lid bepaald dat bij een schoolverlater het derde en vierde lid van dit artikel niet van toepassing zijn.