Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 4.3

Artikel 4.3

Onderdeel van Algemene Subsidieregeling Wisch 2001

De subsidieontvanger is aan de gemeente de in artikel 4:41 van de wet bedoelde vergoeding voor vermogensvorming verschuldigd. De hoogte van de vergoeding is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de subsidieontvanger, dat evenredig is aan het gedeelte van zijn totale inkomsten dat gedurende de laatste tien jaar de subsidie is geweest. Bij de bepaling van de waarde van de vermogensbestanddelen wordt uitgegaan van hun waarde op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat bij verlies of beschadiging van goederen wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger is ontvangen. De waarde van de onroerende goederen wordt bepaald op basis van hun boekwaarde. De geldmiddelen, waaronder begrepen de banksaldi, worden gewaardeerd op hun nominale waarde. De waarde van onroerende goederen wordt vastgesteld door een onafhankelijk deskundige, die daartoe door het gemeentebestuur in overeenstemming met de subsidieontvanger wordt aangewezen. Bij gebreke aan overeenstemming wijst iedere partij een onafhankelijke deskundige aan, welke deskundigen gezamenlijk een derde onafhankelijke deskundige aanwijzen. Indien nog geen tien jaren subsidie is verstrekt, wordt de verschuldigde vergoeding berekend op basis van het aantal jaren gedurende welke zij is verstrekt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel