Indien subsidie is vastgesteld zonder dat voorafgaand een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, toont de subsidieontvanger binnen vier maanden na afloop van de activiteiten dan wel het tijdvak waarvoor de subsidie is verstrekt, aan, dat de activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Hierbij legt hij de in artikel 5.1, tweede en derde lid, genoemde stukken over.
Artikel 5.5, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.