Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.2

VOORWAARDEN BIJ WOONHUIZEN

Onderdeel van Uitwegenbeleid gemeente Heerenveen

De weigeringsgronden van de APV zijn breed uitlegbaar. De onderstaande voorwaarden zorgen voor duidelijkheid bij de beoordeling van de meldingen. Hieronder zijn de voorwaarden aangegeven voor het aanleggen/aanpassen van een uitweg naar een woonhuis. 2.2.1 VOORWAARDEN BIJ MELDINGEN DOOR PARTICULIER Het terrein waartoe de uitweg aangelegd moet worden is eigendom van de aanvrager of de aanvrager heeft schriftelijke toestemming van de eigenaar om melding van een uitweg te doen. Om eenheid in het straatbeeld te behouden heeft een uitweg, bij een wegbreedte groter dan of gelijk aan 4 meter, een maximale breedte van 3 meter (excl. boogstralen). Bij een wegbreedte kleiner dan 4 meter heeft de uitweg een maximale breedte van 4 meter (excl. boogstralen); Twee naast elkaar gelegen uitwegen dienen tenminste 1 meter van elkaar gelegen te zijn. Indien twee uitwegen bij twee woonhuizen dicht bij elkaar gelegen zijn kan een melding gedaan worden voor een gecombineerde uitweg. In dit geval delen twee woningen één uitweg. De maximale breedte van een dergelijke uitweg bedraagt: 6 meter (excl. boogstralen). In dit geval dienen beide woonhuizen een aanvraag in te dienen met het verzoek de uitwegen te combineren. Op het terrein of het perceel waartoe de uitweg aangelegd moet worden, bevindt zich geen andere uitweg. Per adres is, als aan alle voorwaarden wordt voldaan, een eerste uitweg toegestaan. Alleen als het perceel dusdanig groot is dat zich tussen twee uitwegen een ruimte bevindt van meer dan 50 meter (over de erfgrens langs de weg (rechtstand) gemeten), kan de gemeente besluiten een tweede uitweg toe te staan. De uitweg dient naast de woning gelegen te zijn. Zodat met andere woorden niet in de voortuin, geparkeerd kan worden. Indien bij een hoekwoning sprake is van twee voorgevels wordt bekeken welke voorgevel de functionele voorkant is. Op deze manier wordt duidelijk wat in een dergelijke situatie “naast de woning”is. Het terrein waartoe de uitweg aangelegd moet worden is minimaal 5 meter diep (gerekend vanaf de plaats van de uitweg). Bij de aanwezigheid van een garage en/of carport, ongeacht of de minimale 5 meter diepte, is een uitweg toegestaan. De uitweg mag zich in verband met de gewenste verkeersdoorstroming niet bevinden aan een van de volgende gebiedsontsluitingswegen A (een toelichting van deze term is te vinden in bijlage 2): Weinmakker Nije Fjildwei De Zanden De Stadionweg Uitwegen mogen wel aansluiten op de overige gebiedsontsluitingswegen A. De uitweg mag zich niet binnen 5 meter van een kruispunt bevinden van een gebiedsontsluitingsweg A of B. Hierbij wordt gerekend vanaf het einde van de boogstraal, en niet vanaf het hart van het kruispunt. De uitweg mag niet in een groenvoorziening uitkomen.(uitgezonderd gras en bermen) De aanleg van een uitweg mag er niet toe leiden dat het totaal aantal openbare parkeervakken verminderd wordt. Als zich binnen een straal van 2 meter in het traject van de uitweg een boom bevindt zal eerst gekeken moeten worden of die gekapt, herplaatst of verplaatst moet/kan worden. Dit zal bepaald worden door de desbetreffende afdeling. De kosten voor het kappen, herplaatsen of verplaatsen van de boom zullen verhaald worden op de melder van de uitweg. 2.2.2 VOORWAARDEN BIJ AANPASSING DOOR GEMEENTE Bij wegwerkzaamheden, waarbij ook de overgang tussen perceel en openbare weg wordt mee-genomen, blijven de afmetingen van de uitwegen bestaan. Uitwegen, die breder zijn dan de afmetingen zoals in dit beleid beschreven, behouden hun oorspronkelijke breedte.

Rechtspraak bij dit artikel