Het is verboden de weg, een weggedeelte of andere openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien: het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer en onderhoud van de weg; of het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Het college kan in het belang van de openbare orde, het uiterlijk aanzien van de gemeente of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen aan de plaatsing van voorwerpen op of aan de weg. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of onder k van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: evenementen als bedoeld in artikel 2:17; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; terrassen als bedoeld in artikel 2:20; steigers en containers, voor zover deze niet zodanig zijn opgesteld dat zij hinder voor het verkeer kunnen opleveren en mits wordt voldaan aan de door het college te stellen nadere regels met betrekking tot het plaatsen van deze voorwerpen of stoffen. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de provinciale wegenverordening. Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 5
Artikel 2.6
Voorwerpen op of aan de weg
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Maasgouw (APV)