**1..** De voorzitter wordt uit de ingevolge artikel 21 benoemde leden van het dagelijks bestuur aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur in nieuwe samenstelling volgend op de dag van beëindiging van de zittingsperiode van de raden van de deelnemende gemeenten.
**2..** De voorzitter is tevens voorzitter van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.
**3..** De voorzitter treedt af op de dag, waarop de zittingsperiode van de gemeenteraden afloopt. Hij is terstond herbenoembaar.
**4..** Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter wordt hij vervangen door één door het dagelijks bestuur uit zijn midden aan te wijzen lid.
**5..** De voorzitter, die tussentijds ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur, houdt tevens op voorzitter te zijn.
**6..** Hij, die als voorzitter tussentijds ontslag neemt, deelt dit mede aan het algemeen bestuur. Hij, die tussentijds ontslag neemt, of overeenkomstig het in het derde en vijfde lid bepaalde aftreedt, blijft zijn functie waarnemen, totdat zijn opvolger de functie heeft aanvaard.
**7..** Indien tussentijds de functie van de voorzitter beschikbaar komt, kiest het algemeen bestuur in zijn eerstvolgende vergadering, doch uiterlijk binnen acht weken, een nieuwe voorzitter. Gaat het openvallen van de functie van voorzitter gepaard met het openvallen van een plaats in het algemeen bestuur, dan stelt het algemeen bestuur het kiezen van een nieuwe voorzitter uit totdat de opengevallen plaats in het algemeen bestuur zal zijn bezet, doch niet langer dan tien weken.