BOUWVERORDENING, inclusief de 15e wijziging.
Inhoud
1 Inleidende bepalingen
2 De aanvraag omgevingsvergunning voor
het bouwen
§ 1 Gegevens en bescheiden
§ 2 Behandeling van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen
§ 3 Welstandstoetsing
§ 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem
§ 5 Voorschriften van stedebouwkundige aard en bereikbaarheidseisen
§ 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en vluchtroute
aanduiding
§ 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen
3 Licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken
4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
van een bouwwerk
5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheidsinstallaties,
aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en
hinderlijk gedierte
§ 1 Staat van open erven en terreinen
§ 2 Staat van brandveiligheidsinstallaties en vluchtroute aanduiding
§ 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen
§ 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte reinheid
6 Brandveilig gebruik
§ 1 Gebruiksvergunning
§ 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar
§ 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand
7 Overige gebruiksbepalingen
§ 1 Overbevolking
§ 2 Staken van het gebruik
§ 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen
§ 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
Reinheid
§ 5 Watergebruik
§ 6 Installaties
8 Slopen
§ 1 Sloopvergunning
§ 2 Uitzonderingen op het vereiste van een sloopvergunning
§ 3 Verplichtingen tijdens het slopen
§ 4 Vrij slopen
9 Welstand
10 Overige administratieve bepalingen
11 Handhaving
12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen
Bijlagen
Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning
Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning
Gebruikseisen voor bouwwerken
Gebruikseisen voor bouwwerken niet zijnde woonwagens, woningen en
woongebouwen, uitgezonderd woonwagens, woningen en woongebouwen
waarin sprake is van verminderde zelfredzaamheid van bewoners, in
combinatie met permanent toezicht op en begeleiding van de
bewoners
Toegestane hoeveelheid brandgevaarlijke stiffen
Opslag brandgevaarlijke stoffen
Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op
erven en terreinen
Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee
vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest
Regelement Welstands- en monumentencommissie
Tabel 2.6.1. behorende bij artikel 2.6.1. (brandmeldinstallaties
Tabel 2.6.5. behorende bij artikel 2.6.5.
(ontruimingsinstallaties)
Tabel 2.6.8. behorende bij artikel 2.6.8. (vluchtwegaanduiding)
Toelichting bij de bouwverordening
Bouwverordening
1 Inleidende bepalingen
Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
1 In deze verordening wordt verstaan onder:
Bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in
de Woningwet, artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken
van een bestuursorgaan als bedoeld in dit artikellid, burgemeester en
wethouders;
Het Bouwbesluit: de algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in artikel 2 van de Woningwet;
Bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92,
tweede lid, van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw- en
woningtoezicht;
Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van
hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of
indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
functioneren;
Gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als
bedoeld in het Bouwbesluit;
Hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals
die door of namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;
NEN: een door de Stichting Nederlands
Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;
NVN: een door de Stichting Nederlands
Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm;
Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning
voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van
de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
Straatpeil:
a voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de
hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
b voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst
de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing
van de bouw;
Weg: alle voor het openbaar rij- of ander
verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen
bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten,
alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide
parkeerterreinen.
2 In deze verordening wordt mede verstaan onder:
Bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;
Gebouw: een gedeelte van een gebouw.
Artikel 1.2 Termijnen (vervallen)
Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de
gemeente
1 Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
gemeente:
a het gebied binnen de bebouwde kom;
b het gebied buiten de bebouwde kom;
c het gebied dat is uitgesloten van welstandstoezicht, als bedoeld in
artikel 9.9, eerste lid.
2 Als gebieden, bedoeld in het vorige lid onder a tot en met c, gelden de
gebieden die op de bij deze verordening behorende kaart als zodanig zijn
aangegeven.
2 De aanvraag
omgevingsvergunning
Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden
Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning (vervallen)
Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens
(vervallen)
Artikel 2.1.3 Aanvraag bouwvergunning (vervallen)
Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren
van vergunningaanvragen (vervallen)
Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek
Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel
8, vierde lid, van de Woningwet, bestaat uit:
de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek
verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming
met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1.
vervallen.
Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
asbestvezels, - deeltjes of -stof, in de bodem aanwezig is,
vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in
NEN 5707, uitgave 2003.
De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet
indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en
omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit
omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing
geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht,
artikelen 2 en 3 van bijlage II.
Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de
plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel
2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor
toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruibare
recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.
Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot
het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5,
onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk
met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het
Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009,
bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de
bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de
gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740,
uitgave 2009 niet rechtvaardigen.
Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken
zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is
gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.
Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij
de aanvraag om bouwvergunning (vervallen)
Artikel 2.1.7 Bouwregistratie (vervallen)
Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
bouwvergunning woonwagens en standplaatsen (vervallen)
Paragraaf 2 Behandeling van de
aanvraag om bouwvergunning
Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag
(vervallen)
Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke
ordening (vervallen)
Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen
(vervallen)
Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering
bouwvergunningverlening (vervallen)
Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek
(vervallen)
Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende
bouwvergunning (vervallen)
Paragraaf 3 Welstandstoetsing
Artikel 2.3.1 Welstandscriteria (vervallen)
Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem
Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde
bodem
Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd
voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:
a waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;
b voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist; en
c 1 dat de grond raakt, of
2 waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt
gehandhaafd.
Artikel 2.4.2 Voorwaarden
omgevingsvergunning
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde
in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd
gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in
het geval zij op grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde
onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel
op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste
lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan
worden gemaakt.
Paragraaf
5 Voorschriften van
stedenbouwkundige aard en
bereikbaarheidseisen.
Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing
van de stedenbouwkundige bepalingen (vervallen)
Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling
Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning in aanmerking moet
worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
omgevingsvergunning voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen.
Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
Brandblusvoorzieningen (vervallen)
Artikel 2.5.3A Brandweeringang (vervallen)
Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor
gehandicapten (vervallen)
Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn
De voorgevelrooilijn is:
a langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van
de voorgevels van de bestaande bebouwing:
de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk
aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een
zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de
richting van de weg geeft;
b langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig
is en waarlangs mag worden gebouwd:
bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit
de as van de weg;
bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de
as van de weg.
Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
voorgevelrooilijn
Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk,
voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
overschrijding van de voorgevelrooilijn.
Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
voorgevelrooilijn
Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet
van toepassing op:
a onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren opgevat
zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen bedoeld in artikel
3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;
b andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren niet
vallen onder de werking van veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7,
van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten:
ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
rioolleidingen en rioolputten;
stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de
weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.
Artikel 2.5.8Vergunningverlening in afwijking
van het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn
1 In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
bouwen verlenen voor:
a ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen,
mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het straatpeil;
b bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel
9, 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard
en bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
zijn;
c laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
overschrijden;
d erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen, die de
voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m overschrijden;
e trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende
schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
bedoeld zijn in artikel 2.5.7;
f overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee bouwwerken.
g bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988
dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening – voor
zover zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch
opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de bestaande
omgeving.
2 Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden toegestaan,
indien niet lager gebouwd wordt dan:
4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m
breedte ter weerszijden van die rijweg;
2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;
en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in
gevaar komt.
Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg
In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd gezag
de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:
a gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het
wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub a van bijlage
II bij het Besluit omgevingsrecht;
b bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer,
alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub
b, c en d, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;
c vrijstaande winkel- of reclamevitrines;
d reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;
e andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
vereist,, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.
Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte
van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken
1 Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
voorgevelrooilijn zijn geplaatst.
2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:
a de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de afwijking genoemd
in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is verleend;
b in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de afwijking
genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter
de achtergevelrooilijn is geplaatst;
c in de gevallen, bedoeld in het derde lid.
3 Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik maakt van
90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende voorgevelrooilijnen zich
in beide wegen of zich vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden van
minder dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken – over een
hoogte op een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil –
worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd
blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m² behoeft te zijn.
4 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
bepaalde in het eerste lid voor:
a gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;
b gebouwen op handels- en industrieterreinen;
c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;
d bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht bedoelde
gebouwen;
e gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
begrepen, en de daarbijbehorende woningen;
f gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;
g gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de afwijking is
gebaat.
Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn
1 De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en bevindt
zich:
a in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig, vierhoekig of
regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn
gelijk aan de helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de
voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn
dan 15 meter. Indien meer dan Eén ingeschreven cirkel binnen de
voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de grootste;
b in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een andere dan
onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald
op de wijze als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok
tot een of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of
gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen
grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;
c in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig
bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide
zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
bouwblok, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
meter;
d in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of te
bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand van de
voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde
of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
voorgevelrooilijn dan 15 meter;
e in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een afstand die
wordt bepaald met inachtneming van de beginselen, welke zijn neergelegd in a
tot en met d van dit lid, doch op geen grotere afstand van de
voorgevelrooilijn dan 15 meter.
2 Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende achtergevelrooilijnen een
scherpe hoek vormen moeten de achterzijden van die bebouwing – in het belang
van de toetreding van daglicht – over een afstand van ten minste 5 meter ter
weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte
van beide achtergevelrooilijnen.
3 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
verlenen van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling
en het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten.
Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
achtergevelrooilijn
Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken, voor
het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
overschrijding van de achtergevelrooilijn.
Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
achtergevelrooilijn
Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet
van toepassing op:
a buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde,
voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
begrepen;
b buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen,
indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter
bedraagt;
c onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat
zouden moeten worden als een aan- of uitbouw voor het bouwen waarvan op
grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II
bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, als bedoeld in
artikel 2, onder a, van het Besluit bouwwerken;
d onderdelen van een ‘bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
omgevingsvergunning is vereist,’die bij het afzonderlijk realiseren opgevat
zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in de
artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;
e andere onderdelen van een ‘bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
omgevingsvergunning is vereist,’die bij het afzonderlijk realiseren niet
vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
Besluit omgevingsrecht, te weten:
ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
rioolleidingen en rioolputten;
terrassen, bordessen en bordestreden;
f antennes, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel 15 en 17 van bijlage
II bij het Besluit omgevingsrecht.
Artikel 2.5.14Vergunningverlening in afwijking van het
verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn
In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
bouwen verlenen voor:
a buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen,
waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter
bedraagt;
b binnen de bebouwde kom gelegen kassen;
c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;
d gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden
grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een
spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van
die zijden mag worden bebouwd;
e gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld
in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;
f bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht;
g gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend handels- of
industrieterrein omvattend;
h bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
omgevingsvergunning is vereist;
i ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen,
mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de hoogte van het
terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw;
j erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen onder
artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het
Besluit omgevingsrecht;
k trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
stortbuizen, balkons en veranda’s, alsmede andere luifels, afdaken,
dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
bedoeld zijn in artikel 2.5.13;
l bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988
dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening – voor
zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
omgeving.
Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen
1 Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten minste een
strook grond omvat die:
a over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel, en
b voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen
het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5
meter.
2 De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel van het
gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel
2.5.13, en de balkons en veranda’s buiten beschouwing blijven.
3 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
bepaalde in:
a het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de
gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is;
b het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt
voldaan:
een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;
het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover
elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een
plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag
worden bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand
wordt gebracht;
bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te
bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt
de bestaande toestand verbeterd.
Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen
1 Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf aanwezig zijn
ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst achterwaarts gelegen deel
van het gebouw en over de volle breedte daarvan.
2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
bepaalde in het eerste lid:
a indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel
vormen;
b indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het verbod tot
overschrijding van de achtergevelrooilijn.
Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken
1 De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk
en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten
ontstaan die:
a vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter
breed zijn;
b niet toegankelijk zijn.
2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor
reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.
Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen
1 Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel
12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn niet toegelaten.
2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of
terrein.
Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen
en ondergrondse hoofdtransportleidingen
1 Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding
bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen delen
bevinden van andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
omgevingsvergunning is vereist dan die welke deel uitmaken van de
hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden
gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale
elektrische spanning van 1.000 volt of meer.
2 Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
omgevingsvergunning is vereist worden gebouwd.
3 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
van:
a het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6 meter,
indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen
bezwaar oplevert;
b het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6 meter,
indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde ligging van de
leiding geen bezwaar bestaat.
Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de
voorgevelrooilijn
1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte
van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist
in het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:
a in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs
de desbetreffende weg;
b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen
langs de desbetreffende weg.
2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op hoekbebouwing aan
wegen, waarvan de afstand tussen de voorgevelrooilijnen onderling verschilt,
in welk geval aan de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de
brede weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch
over geen grotere lengte dan 15 meter.
3 De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van het
bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.
4 Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt geldt
ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het eerste lid,
de dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn.
Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter
plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van de beide ter
weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen.
Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de
achtergevelrooilijn
1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte
van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
vereist, in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd
met:
a in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende
achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;
b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de tegenoverliggende
achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.
2 De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk.
Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt
voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van
de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen.
Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten
tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
voorgevelrooilijn.
3 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale hoogte van
een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan
de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.
4 Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan straatpeil
ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden verminderd met een
maat, gelijk aan het verschil tussen het straatpeil en het peil van het
onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de
bouw.
Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
achtergevelrooilijn
1 Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing, gelegen
aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de voorgevelrooilijn van de andere
weg en bovendien in die achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt –
onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 – de maximale hoogte van de
zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten
hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die
bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze worden
bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling
van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen.
2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan de voorgevel.
Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
achtergevelrooilijnen
1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor het
bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist tussen de voor- en de
achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de verticale
vlakken door de voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op
de – krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 – maximale bouwhoogte en die
met het horizontale vlak een hoek vormen van:
a 45 graden in de bebouwde kom;
b 37 graden buiten de bebouwde kom.
2 Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft die
gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit
bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat het verticale vlak
door die zijgevel snijdt ter hoogte van de – krachtens artikel 2.5.22 –
maximale bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
graden.
Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van
bouwwerken
1 De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
omgevingsvergunning is vereist mag niet meer bedragen dan 15 meter.
2 Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de laagst
gelegen weg.
Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg
grenzende terreinen
1 De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of artikel
2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend
terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat –
uitgaande van een goothoogte van genoemde maat – daarboven een zadeldak met
hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is.
2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de omringende
bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.
Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van
bouwwerken
1 De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander buitenvlak
van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van het straatpeil.
2 De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet worden
bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte. Plaatselijke
verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28,
onder h, i, j en k, moeten – voor zover zij de maximale hoogte overschrijden
– buiten beschouwing worden gelaten.
Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
bouwhoogte
Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde
lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet
van toepassing op:
a onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren opgevat
zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in
artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;
b het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan het
aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in
artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;
c topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de
achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de
geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten, niet groter is
dan het product van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter
plaatse;
d plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter.
Artikel 2.5.28Vergunningverlening in afwijking van het
verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte
In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid,
2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan het
bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:
a gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere
gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen;
b gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de
welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;
c gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels- en
industrieterrein;
d agrarische bedrijfsgebouwen;
e het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk,
anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
omgevingsrecht, en indien:
de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
overschrijden en de welstand bij het toestaan van de afwijking is
gebaat;
bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen
andere hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande;
f bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer,
anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het
Besluit omgevingsrecht;
g topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
aard;
h plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter;
i dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75 meter,
de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet minder dan 3
meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt.
Deze laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters, die tot
verschillende gebouwen behoren;
j draagconstructies voor een reclame;
k vrijstaande schoorstenen;
l bouwwerken op een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel
in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks
niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste
aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.
Artikel 2.5.29Vergunningverlening in afwijking van het
verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten
bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw
ruimtelijk beleid
In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan
het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van
de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien:
er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
beheersverordening of projectbesluit van kracht is;
geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is;
de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
toekomstig ruimtelijk beleid;
de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening,
en
de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing
bevat.
Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en
losmogelijkheden bij of in gebouwen
1 Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft,
moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate
ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het
onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet
overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw,
waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per
openbaar vervoer.
2 De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto’s moet
afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s.
Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:
a indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij
5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;
b indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een
gehandicapte – voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een
trottoir grenst – ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.
3 Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten
behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze
behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan
wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
4 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
bepaalde in het eerste en het derde lid:
a indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op
overwegende bezwaren stuit; of
b voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan
wel laad- of losruimte wordt voorzien.
Paragraaf
6 Voorschriften
inzake brandveiligheidinstallaties en
vluchtrouteaanduidingen
Artikel 2.6.1 Beginsel inzake
brandmeldinstallaties(vervallen)
Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van
brandmeldinstallaties(vervallen)
Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door
brandmeldinstallaties(vervallen)
Artikel 2.6.4 Kwaliteit van
brandmeldinstallaties(vervallen)
Artikel 2.6.5 Beginsel inzake
ontruimings-alarminstallaties(vervallen)
Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van
ontruimings-alarminstallaties(vervallen)
Artikel 2.6.7 Kwaliteit van
ontruimingsalarminstallaties(vervallen)
Artikel 2.6.8 Beginsel inzake
vluchtrouteaanduidingen(vervallen)
Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van
vluchtrouteaanduidingen(vervallen)
Artikel 2.6.10 Kwaliteit van
vluchtrouteaanduidingen(vervallen)
Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid(vervallen)
Artikel 2.6.12. Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten
(vervallen)
Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen
Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de
waterleiding (vervallen)
Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het
elektriciteitsnet (vervallen)
Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het
aardgasnet (vervallen)
Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
riolering (vervallen)
Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
riolering (vervallen)
Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de
buitenriolering op erven en terreinen (vervallen)
Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de
leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen
(vervallen)
3 De Melding
Artikel 3.1 De wijze van melden (vervallen)
Artikel 3.2 Welstandscriteria (vervallen)
4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en
bij ingebruikneming van een bouwwerk
Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start
of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden
(vervallen)
Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige
bescheiden (vervallen)
Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens
bouwregistratie (vervallen)
Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw
(vervallen)
Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
de bouwwerkzaamheden (vervallen)
Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
onderzoekingen (vervallen)
Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten
(vervallen)
Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein
(vervallen)
Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein
(vervallen)
Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen
van hinder (vervallen)
.
Artikel 4.11 Bouwafval (vervallen)
Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
bouwwerkzaamheden (vervallen)
Artikel 4.13 Melden van werken bij lage
temperaturen (vervallen)
Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming
(vervallen)
5Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk
gedierte
Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen
Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en
terreinen (vervallen)
Artikel 5.1.2Bereikbaarheid van gebouwen voor
wegverkeer. Brandblusvoorzieningen
(vervallen)
Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor
gehandicapten (vervallen)
Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
vluchtrouteaanduidingen
Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake
brandveiligheids-installaties en
vluchtrouteaanduidingen(vervallen)
Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties
in gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven,
logiesgebouwen of kantoorgebouwen (vervallen)
Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties
in woongebouwen van bijzondere aard (vervallen)
Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties
in logiesverblijven en logiesgebouwen (vervallen)
Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties
in kantoorgebouwen (vervallen)
Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen
Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de
waterleiding (vervallen)
Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het
elektriciteitsnet (vervallen)
Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het
aardgasnet (vervallen)
Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
riolering (vervallen)
Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
riolering (vervallen)
Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de
buitenriolering op erven en terreinen (vervallen)
Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de
leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen
(vervallen)
Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid
Artikel 5.4.1 Preventie (vervallen)
6 Brandveilig gebruik
(vervallen)
7 Overige gebruiksbepalingen
Paragraaf 1 Overbevolking
Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen
(vervallen)
Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens
(vervallen)
Paragraaf 2 Staken van het gebruik
Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij
bouwvalligheid (vervallen)
Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan
veiligheid en gebrek aan hygiëne (vervallen)
Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een
woonwagen (vervallen)
Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen
Artikel 7.3.1“Bepaling aantal personen
nachtverblijf”
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit
omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op 10.
Artikel 7.3.2 Hinder (vervallen)
Artikel 7.4.1 Preventie (vervallen)
Paragraaf 5 Watergebruik
Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water
(vervallen)
Paragraaf 6 Installaties
Artikel 7.6.1Gebruiksgereed houden van
installaties (vervallen)
8 Slopen
Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen
Artikel 8.1.1Omgevingsvergunning voor het
slopen (vervallen)
Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning
(vervallen)
Artikel 8.1.3 In behandeling nemen
(vervallen)
Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing
(vervallen)
Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen
(vervallen)
Artikel 8.1.6Weigeren omgevingsvergunning voor het
slopen (vervallen)
Artikel 8.1.7Intrekkenomgevingsvergunning
voor het slopen (vervallen)
Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van omgevingsvergunning voor het
slopen
Artikel 8.2.1 Sloopmelding (vervallen)
.
Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van
omgevingsvergunning voor het
slopen (vervallen)
Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen
Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein
(vervallen)
.
Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
bescheiden (vervallen)
Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de
omgevingsvergunning voor het
slopen (vervallen)
Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt
(vervallen)
Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
asbest (vervallen)
Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
tuinbouwkassen (vervallen)
Paragraaf 4 Vrij slopen
Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen
(vervallen)
9 Welstand
Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie
De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld
in artikel 44, eerste lid onder d van de Woningwet. De
welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
genoemde welstandscriteria.
Burgemeester en wethouders beoordelen zonder advies van de
welstandscommissie of licht-vergunningplichtige bouwwerken niet in
strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Burgemeester en
wethouders baseren hun standpunt op de in de welstandsnota genoemde
welstandscriteria.
Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie
De welstandscommissie bestaat ten minste uit 3 leden die deskundig
zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel
cultuurhistorie.
De leden zorgen zelf voor een plaatsvervanger die hen bij
afwezigheid kan vervangen.
De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
minste 2 leden aanwezig zijn die beide beschikken over deskundigheid
op het gebied van welstand.
De leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk ten opzichte
van het gemeentebestuur.
Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur (vervallen)
Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording
De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden
voor de
gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:
op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
welstandsnota;
de werkwijze van de welstandscommissie;
op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
vergaderen;
de aard van de beoordeelde plannen;
de bijzondere projecten.
De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen
ten aanzien van het
gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de
aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.
Artikel 9.5 Termijn van advisering
De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door
of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.
De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om
omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning
betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde
aanvraag betreft uit binnen vier weken nadat door of namens
burgmeester en wethouders daarom is verzocht.
Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van
het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en
wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de
aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van
de Wat algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondeling toelichting
De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid
van de welstandscommissie is openbaar. De agenda voor de vergadering
van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van
overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien
burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager
– een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen
burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van
artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te
leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de
beoordeling als de adviezen.
Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
hierom bij het indienen van de aanvraag om bouwvergunning heeft
verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat
gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan.
In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de
commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.
Er is geen spreekrecht. Belanghebbenden hebben in toelichtende zin
spreekrecht. Het reglement van orde van de welstandscommissie dat
als bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, voorziet in een
procedurele opzet, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in
de toelichtende fase en de beraadslagingen.
Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid.
De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies,
in afwijking van artikel 9.2, onder verantwoordelijkheid van de
commissie overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden.
Het aangewezen lid of de aangewezen leden adviseren over bouwplannen
waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend
mag worden verondersteld.
In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de
welstandscommissie.
Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht
De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
schriftelijk.
Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
omgevingsgunning voor het bouwen.
Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën
bouwwerken (vervallen)
10 Overige administratieve bepalingen
Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning
(vervallen)
Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van
een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of
woonwagen(vervallen)
Artikel 10.3 Overdragen vergunningen
(vervallen)
Artikel 10.4 Overdragen mededeling (vervallen)
Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde
woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde
standplaatsen
(Vervallen)
Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen
en andere voorschriften
Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
voorschriften waarnaar in deze verordening – of in de bij deze verordening
behorende bijlagen – wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de
betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien
of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.
11 Handhaving
Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw
(vervallen)
Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming (vervallen)
Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen
(vervallen)
Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek
(vervallen)
12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen
Artikel 12.1 Strafbare feiten
(vervallen)
Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek
(vervallen)
Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat
van open erven en terreinen (vervallen)
Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om)
gebruiksvergunning (vervallen)
Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding
(vervallen)
Artikel 12.6 Slotbepaling
1 Deze verordening treedt in werking op de 3e dag na die waarop zij is
afgekondigd.
2 Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de bouwverordening,
vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 28 juni 2005 gemeente Kapelle en alle
daarin aangebrachte wijzigingen;
3 Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Bouwverordening Kapelle
1992.
Artikel 0
Dit artikel moet nog worden gesplitst
Onderdeel van Bouwverordening Kapelle 1992 (inclusief 15e wijziging)
Verwijzingen
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 3
- Artikel 11
- artikel 2
- Artikel 4
- Artikel 2
- artikel 5
- Artikel 1
- Artikel 3
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 5
- Artikel 2
- Artikel 9
- Artikel 2
- artikel 9
- artikel 2
- Artikel 4
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 10
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 8
- Artikel 9
- Artikel 4
- Artikel 8
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 8
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 5
- Artikel 2
- Artikel 4
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 7
- Artikel 8
- Artikel 2
- Artikel 4
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 12
- Artikel 10
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 5
- artikel 2
- artikel 3
- Artikel 2
- artikel 92
- artikel 3
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 3
- Artikel 4
- Artikel 5
- Artikel 9
- Artikel 11
- Artikel 2
- Artikel 5
- Artikel 7
- Artikel 9
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 7
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 4
- Artikel 2
- Artikel 7
- Artikel 8
- Artikel 8
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 4
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 5
- Artikel 7
- Artikel 4
- Artikel 8
- artikel 2
- Artikel 5
- Artikel 9
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 3
- Artikel 2
- Artikel 5
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 8
- Artikel 2
- artikel 3
- Artikel 4
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 4
- artikel 9
- Artikel 2
- Artikel 8
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 3
- Artikel 2
- Artikel 12
- artikel 2
- artikel 3
- Artikel 12
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 10
- artikel 3
- Artikel 2
- Artikel 5
- Artikel 7
- Artikel 1
- artikel 2 van de Woningwet
- artikel 2
- Artikel 12
- artikel 3
- artikel 2
- Artikel 4
- Artikel 5
- artikel 2
- Artikel 10
- artikel 1
- artikel 8
- Artikel 8
- Artikel 8
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 7
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 5
- artikel 2
- Artikel 7
- Artikel 2
- artikel 3
- Artikel 5
- artikel 5
- artikel 39
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 3
- Artikel 2
- Artikel 10
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 8
- Artikel 2
- Artikel 9
- artikel 44
- Artikel 2
- Artikel 7
- Artikel 11
- Artikel 2
- artikel 3
- Artikel 2
- Artikel 5
- Artikel 4
- Artikel 11
- Artikel 8
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 10
- Artikel 2
- Artikel 9
- Artikel 3
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 5
- Artikel 1
- Artikel 9
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 9
- Artikel 2
- Artikel 8
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 8
- Artikel 12
- Artikel 5
- Artikel 8
- Artikel 7
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 12
- Artikel 5
- Artikel 2
- Artikel 4
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2