Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Maatstaf van heffing

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing

1. Voor een perceel van waaruit niet meer dan 500 kubieke meter water wordt afgevoerd wordt de belasting naar een vast bedrag per perceel geheven. 2. Voor een perceel van waaruit meer dan 500 kubieke meter water wordt afgevoerd wordt de belasting geheven naar de hoeveelheid water die vanuit het perceel wordt afgevoerd. 3. Het aantal kubieke meters afgevoerd water wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de laatste aan het einde van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of opgepompt. Ingeval de periode waarop de nota van het waterleverend bedrijf betrekking heeft niet gelijk is aan het kalenderjaar wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. 4. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a. watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of b. bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 5. De op voet van het derde lid berekende hoeveelheid water wordt, voor zover de hoeveelheid geloosd water ten minste 3.000 m3 dan wel ten minste 20% lager is dan de som van de hoeveelheden toegevoerd of opgepompt water, verminderd met de door de belastingplichtige aan te tonen hoeveelheid water die niet via de gemeentelijke riolering is afgevoerd.

Rechtspraak bij dit artikel