Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 3

Toeslag alleenstaande (ouder)

Onderdeel van Toeslagenverordening WWB gemeente Putten 2013

1.. De basisnorm wordt voor de alleenstaande en voor de alleenstaande ouder verhoogd indien de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de basisnorm voorziet als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van de woonkosten met een ander. 2.. In afwijking van lid 1 wordt de basisnorm niet verhoogd indien de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft als gevolg van de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden of van het niet aanhouden van een woning. 3.. De toeslag bedraagt voor de belanghebbende die behoort tot de categorie alleenstaanden van 23 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd dan wel alleenstaande ouders van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd en in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, 20% van het netto minimumloon. 4.. De toeslag bedraagt voor de belanghebbende die behoort tot de categorie alleenstaanden van 23 jaar en ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd of alleenstaande ouders van 21 jaar en ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd en in wiens woning tevens één ander zijn hoofdverblijf heeft, 10% van het netto minimumloon. 5.. Er bestaat geen recht op toeslag voor de belanghebbende die behoort tot de categorie alleenstaanden van 23 jaar en ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd of alleenstaande ouders van 21 jaar en ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd en in wiens woning tevens twee anderen hun hoofdverblijf hebben. 6.. Voor toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten van het bestaan in ieder geval in het geheel niet worden gedeeld met een inwonend studerend kind dat aanspraak maakt op studiefinanciering of een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten. 7.. Indien een belanghebbende met meer dan twee anderen zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning wordt deze niet geacht de noodzakelijke bestaanskosten te kunnen delen als bedoeld in lid 1. De inkomsten uit verhuur worden op zijn bijstandsnorm in mindering gebracht. 8.. De inkomsten uit verhuur als bedoeld in het zevende lid worden vastgesteld op het bedrag van de door de verhuurder ontvangen huur, minus de voor de verhuurder te maken aantoonbare kosten in verband met deze verhuur waarbij de nettohuur in ieder geval tenminste de basishuur voor minima zoals bedoeld in artikel 16 van de Wet op de huurtoeslag bedraagt

Rechtspraak bij dit artikel