Naar hoofdinhoud
1.. Het college stelt aan de adviseur alle op de aanvraag betrekking hebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de adviseur noodzakelijke bescheiden ter beschikking. 2.. De adviseur hoort de aanvrager en de ambtelijke vertegenwoordiger(s). Eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden eveneens in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken. 3.. De adviseur bezichtigt de situatie ter plaatse. 4.. Van het horen en de bezichtiging wordt door, dan wel onder verantwoordelijkheid van, de adviseur een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit te brengen advies. 5.. Alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur binnen zestien weken na de dagtekening van de opdracht tot advisering een concept daarvan aan het college, aan de aanvrager, aan eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet. De adviseur kan deze termijn onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn met ten hoogste vier weken verlengen. 6.. Het college, de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de toezending van het concept advies schriftelijk hierop te reageren. 7.. In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur binnen vier weken na het verstrijken van de in het zesde lid bedoelde termijn een advies uit aan het college, waarbij de betreffende reacties zijn betrokken. 8.. In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur binnen twee weken na het verstrijken van de in het zesde lid bedoelde termijn een advies uit aan het college.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel