**1.** De uitkering bij aftreden eindigt:
op de dag waarop de uitkeringsduur is verstreken;
met ingang van de maand, volgend op die waarop het gewezen statenlid is overleden;
met ingang van de maand, volgend op die waarop de leeftijd van 65 jaar wordt bereikt;
met ingang van de dag waarop het gewezen statenlid weer als statenlid is beëdigd;
met ingang van de dag waarop het gewezen statenlid als lid van gedeputeerde staten is beëdigd.
**2.** Gedeputeerde staten kunnen de uitbetaling van de uitkering bij aftreden opschorten voor zolang het gewezen statenlid niet heeft voldaan aan zijn in artikel 17, vierde en vijfde lid, bedoelde verplichting. Indien de in artikel 17, vierde en vijfde lid, bedoelde verplichting alsnog wordt nagekomen wordt de uitkering bij aftreden over de tijd van de opschorting, met inachtneming van artikel 17, alsnog uitbetaald.
Hoofdstuk
Artikel 20
Opschorting en einde van de uitkering bij aftreden
Onderdeel van Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden provincie Groningen