Er wordt in ieder geval afwijzend beslist op een aanvraag om subsidie indien:
naar verwachting de beoogde effecten van het project niet zullen terechtkomen in één of meer van de drie noordelijke provincies;
de subsidiabele kosten van het project minder bedragen dan € 300.000,-;
het subsidiebedrag minder zou gaan bedragen dan € 100.000,-;
de financiering, naast de gevraagde subsidie, van het project niet is zekergesteld;
het startmoment en de realisatiedatum niet eenduidig zijn gefixeerd;
aannemelijk is dat de activiteiten ook zonder subsidie zonder belangrijke vertraging zullen worden uitgevoerd;
de berekening van de kosten niet doorzichtig en verifieerbaar is;
de kosten waarvoor subsidie is aangevraagd niet doelmatig en rechtstreeks toe te rekenen zijn aan het desbetreffende project;
de aangevraagde vorm van subsidie niet de meest geëigende vorm is;
de activiteiten onvoldoende bijdrage aan de doelstellingen van de subsidie leveren;
het een subsidieontvanger betreft die een ondernemer is tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, zesde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
een aanmerkelijke kans bestaat dat het verlenen van subsidie in strijd is met de Europese regels;
de activiteiten behoren tot de reguliere (bedrijfs)activiteiten en/of verantwoordelijkheden van de aanvrager;
de aanvraag niet voldoet aan de overige bij of krachtens deze verordening gestelde regels.
Hoofdstuk
Artikel 6
Afwijzing
Onderdeel van Verordening, houdende regels betreffende de subsidiëring in het kader van Transitie II en Pieken middelen