Naar hoofdinhoud

Paragraaf

Artikel 11

Artikel 11

Onderdeel van Wegenreglement der provincie Groningen

1. Het is, onverminderd de daaromtrent bestaande wettelijke bepalingen, verboden van de wegen gebruik te maken: tot het plaatsen van tenten en kramen; tot het ononderbroken innemen van een standplaats met voertuigen en dergelijke gedurende een langere tijdsduur dan drie dagen; tot het plaatsen en laten staan van lantaarn- en andere palen alsmede van borden of zuilen, met uitzondering van de wettelijk voorgeschreven en door Gedeputeerde Staten daarmede gelijk te stellen verkeersaanduidingen; tot het maken of hebben van aansluitingen van wegen, die niet openbaar zijn in de zin van de Wegenwet, tot het wijzigen van bestaande aansluitingen en tot het maken of hebben van uitwegen, het wijzigen van bestaande uitwegen of het wijzigen van de bestemming van bestaande uitwegen; tot het plaatsen en laten staan van gebouwen, getimmerten of ander bouwconstructies, banken, rijwielrekken, muren, heiningen, afrasteringen, schotten en schuttingen; tot het daarboven of daarin maken en behouden van erkers, balkons en andere uitspringende constructiedelen of voorwerpen of het daarover laten draaien van hekken, deuren, ramen, blinden en dergelijke; tot het maken en behouden van zink-, mest-, gier- of waterputten; tot het aanbrengen, leggen en laten liggen van riolen, buizen, goten en kabels; tot het plaatsen, leggen, laten staan of laten liggen van kadavers, van land- en tuinbouwproducten, van snoeisel, mest, afval en vuil, van hout, grond en andere dergelijke stoffen en van stenen en soortgelijke materialen, behalve voor zover het betreft materialen, die ten behoeve van het onderhoud van de weg door of op last van de onderhoudsplichtige van de weg voor een korte duur op de berm worden of zijn geplaatst; tot het daarboven of daarover spannen of gespannen houden van touwen, draden en kabels en het daarboven hangen of laten hangen van voorwerpen; tot het laten aflopen van gier, mest, huishoud-, afval- of rioolwater; tot het uitvoeren en behouden van enig werk, waardoor in de toestand van de weg of van de daarin gelegen werken verandering wordt of is gebracht. 2. Van de in het eerste lid gestelde verboden kan door Gedeputeerde Staten, voor zover het provinciale wegen betreft, en door de beheerder, voor zover het andere wegen betreft, ontheffing worden verleend.

Rechtspraak bij dit artikel