De rechthebbende op de op de wegen aanwezige beplanting is verplicht:
de beplanting, die voor het normale gebruik van de weg hinderlijk of gevaarlijk is of die afgestorven is, te snoeien of te verwijderen;
op de weg gevallen gedeelten van de beplanting ten spoedigste zodanig te verplaatsen, dat het verkeer daarvan geen hinder ondervindt en deze gedeelten zo spoedig mogelijk daarna van de weg te verwijderen;
onder het wegdek groeiende wortels van de beplanting te verwijderen, indien deze schade aan het wegdek of gevaar voor het verkeer kunnen veroorzaken.