**1..** Ieder lid kan, zonder verlof van de raad, aan een uit de raad of het
college afkomstig lid van het algemeen bestuur van een openbaar
lichaam of van een ander gemeenschappelijk orgaan als bedoeld in de
Wet gemeenschappelijke regelingen schriftelijke vragen stellen over
aangelegenheden, die tot het werkterrein van dat lichaam
behoren.
**2..** Het bepaalde in de leden 2 tot en met 5 van artikel 47 van deze
verordening is van overeenkomstige toepassing.
**3..** In afwijking van het bepaalde in de leden 4 en 5 van artikel 47 van
deze verordening kan het lid, tot wie de vragen zijn gericht, aan de
voorzitter kenbaar maken deze mondeling te willen beantwoorden. In
dat geval wordt hem daartoe in de eerstkomende vergadering van de
raadscommissie waarin de algemene beleidszaken worden behandeld
gelegenheid geboden.
**4..** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing indien het de
voorzitter van de raad betreft.