**1..** De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene die zich gedraagt in strijd met de wettelijke bepalingen, als in de bijlage bij dit artikel genoemd een verbod opleggen zich te bevinden in een door het college aangewezen gebied en de daarin gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en inrichtingen.
**2..** Het verbod van het eerste lid geldt gedurende het in het besluit van de burgemeester genoemde tijdvak van ten hoogste vier dagen nadat dit aan diegene in het belang van de openbare orde naar het oordeel van de burgemeester bij diens besluit bekend is gemaakt.
**3..** De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan diegene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie binnen zes maanden na het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd dat hij zich opnieuw gedraagt in strijd de het eerste lid bedoelde artikelen een verbod opleggen zich te bevinden in een door het college aangewezen gebied en in de daarin gelegen voor het publiektoegankelijke gebouwen en inrichtingen voor een tijdvak van ten hoogste 3 maanden en op de door de burgemeester aangewezen tijdstippen.
**4..** Het bepaalde in het voorgaande geldt niet indien de belanghebbende in het door het college aangewezen gebied zijn woning heeft, zijn werk of beroep uitoefent of hulpverlenende instanties bezoekt, alsdan wordt de kortste route aangewezen, langs welke belanghebbende het gebied dient te betreden dan wel te verlaten.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 1: › Paragraaf 1
Artikel 2.1.1.1a
Gebiedsontzeggingen
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening