**1..** Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8. weigert de burgemeester de vergunning indien de vestiging en/of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
**2..** De burgemeester kan de vergunning weigeren indien naar zijn oordeel door de aanwezigheid van de inrichting het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting nadelig wordt beïnvloed.
**3..** Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met:
a. het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen;
b. de aard van de inrichting;
c. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting;
d. de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied;
e. de wijze van bedrijfsvoering van een leidinggevende van de inrichting in deze of in andere inrichtingen;
f. de wijze van exploitatie van de inrichting in het verleden.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 3: › Paragraaf 4
Artikel 2.3.4.7
Weigeringsgronden
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening