Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Afdeling 3: › Paragraaf 4

Artikel 2.3.4.7

Weigeringsgronden

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening

1.. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8. weigert de burgemeester de vergunning indien de vestiging en/of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 2.. De burgemeester kan de vergunning weigeren indien naar zijn oordeel door de aanwezigheid van de inrichting het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting nadelig wordt beïnvloed. 3.. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met: a. het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen; b. de aard van de inrichting; c. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting; d. de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied; e. de wijze van bedrijfsvoering van een leidinggevende van de inrichting in deze of in andere inrichtingen; f. de wijze van exploitatie van de inrichting in het verleden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel