Naar hoofdinhoud

Paragraaf 3

Artikel 10

Zwerfafval

Onderdeel van Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Noordoostpolder 2013

1.. Het is verboden afvalstoffen of inzamelvoorzieningen te doorzoeken of te verspreiden. 2.. Het is verboden om afvalstoffen of inzamelvoorzieningen, die gereed staan voor inzameling zodanig te behandelen dat het afval buiten de inzamelvoorzieningen terecht komt of redelijkerwijs verwacht kan worden dat het afval door de handeling buiten de inzamelvoorziening terecht komt. 3.. De houder of beheerder van een inrichting waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd, is verplicht: een afvalbak, -mand of soortgelijk voorwerp in of nabij de inrichting op een duidelijk zichtbare plaats aanwezig te hebben, waarin het publiek afval kan achterlaten; zorg te dragen dat deze afvalbak, -mand of soortgelijk voorwerp van een zodanige constructie is dat het afval daarin deugdelijk geborgen blijft en dat die afvalbak, - mand of verwerp steeds tijdig wordt geleegd; zorg te dragen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de inrichting, doch in ieder geval terstond op eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met het toezicht op de naleving van dit artikel, in de nabijheid van de inrichting afkomstig, wordt opgeruimd. 4.. Het derde lid geldt alleen voor zover dit onderwerp niet is voorzien in voorschriften die bij of krachtens een Algemene Maatregel van Bestuur, zoals bedoeld in artikel 8.40 van de Wet Milieubeheer zijn gesteld. 5.. Degene die in de openbare ruimte reclamebiljetten of ander promotiemateriaal onder het publiek verspreidt, is verplicht deze of de verpakking daarvan terstond op te ruimen of te laten opruimen, indien deze in de omgeving van de plaats van uitreiking op de weg of een andere voor publiek toegankelijke plaats door het publiek worden weggeworpen. 6.. Indien bij het laden of lossen of vervoeren van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen de weg wordt verontreinigd of het milieu nadelig wordt beïnvloed, is degene die de genoemde werkzaamheden verricht, alsmede diens opdrachtgever, verplicht de weg te reinigen of te laten reinigen. Dit moet plaatsvinden: direct na het ontstaan van de verontreiniging, indien de verontreiniging gevaar oplevert voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek; direct na beëindiging van de werkzaamheden, indien de verontreiniging geen gevaar oplevert voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek; elke dag direct na beëindiging van de werkzaamheden, indien de werkzaamheden langer dan een dag duren. 7.. Het zesde lid geldt alleen voor zover dit onderwerp niet is voorzien in de Wet bodembescherming of in regels die krachtens die wet zijn gesteld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel