De afvoer van huishoudwater, bedrijfswater, faecaliën en regenwater dient te geschieden door buizen van waterdichte samenstelling, welke rechtstreeks lozen op het hoofdriool. Niet afgevoerd mogen worden onder andere:
minerale oliën en vetten;
giftige stoffen in voor de biologische zelfreiniging of afvalwaterzuivering schadelijke concentraties;
explosieve stoffen, radio-actieve stoffen of stoffen welke stankoverlast veroorzaken;
snel bezinkbare en drijvende stoffen, alsmede grove en hinderlijke vaste bestanddelen;
schadelijke concentraties van stoffen, welke aantasting kunnen veroorzaken van zuiveringstechnische werken, zoals zuren, te grote hoeveelheden sulfaat, chroom en kalk; waarbij in aanmerking genomen moet worden, dat de zuurtegraad (ph) niet groter mag zijn dan 9 en niet lager dan 6,5 en dat het sulfaatgehalte (uitgedrukt als SO4) en het chloridegehalte (uitgedrukt als Cl) elk de 300 mg/l niet mogen overschrijden;
bloed, haar, ongeboren mest en andere afvalstoffen van slachtereijen;
stoffen van zodanige aard en in zodanige hoeveelheid, dat daarvan naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders schade is te verwachten voor de goede werking van de zuiveringsinstallatie, alsmede verontreinigde of voor de mens hydrobiologisch leven schadelijke stoffen in zodanige hoeveelheid, dat daarvan, ook na de behandeling van het afvalwater in de zuiveringsinstallatie, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders te veel nadeel voor de hoedanigheid van het ontvangende water is te verwachten.
Artikel 6
Lozingsstoffen
Onderdeel van Verordening tot regeling van voorwaarden waarop aansluiting op het hoofdriool kan worden verkregen