Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 9

De hoogte, duur en recidive van de maatregel

Onderdeel van Maatregel- en boeteverordening inkomensvoorzieningen Zaanstad 2013

1.. De hoogte van de maatregel bedraagt bij: categorie 1: 10 % van de norm; categorie 2: 25 % van de norm; categorie 3: 100 % van de norm. 2.. De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld op een maand. 3.. In afwijking van het tweede lid gelden de volgende bepalingen: Als de belanghebbende met een WWB-uitkering zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit, waarbij een verlaging is toegepast, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde categorie: kan bij een maatregelwaardige gedraging uit categorie 1 de maatregel telkens in duur verdubbeld worden; wordt bij een maatregelwaardige gedraging uit categorie 2 de maatregel telkens in hoogte verdubbeld; wordt bij een maatregelwaardige gedraging uit categorie 3 de maatregel telkens in duur verdubbeld. Als de belanghebbende met een WWB-uitkering na een maatregel op grond van dit lid, onder a, bij categorie 3 bij voortduring niet meewerkt aan een verplichting als bedoeld in artikel 8A, categorie 3 onder a en b, wordt de maatregel opgelegd voor de duur waarin door de belanghebbende niet aan deze verplichtingen wordt voldaan en vindt telkens na drie maanden een heroverweging plaats. Als de belanghebbende met een IOAW of IOAZ uitkering zich binnen twaalf  maanden na bekendmaking van een besluit, waarbij een verlaging is toegepast, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde categorie: kan bij een maatregelwaardige gedraging uit categorie 1 de maatregel telkens in duur verdubbeld worden; wordt bij een maatregelwaardige gedraging uit categorie 2 de maatregel telkens in hoogte verdubbeld; wordt bij een maatregelwaardige gedraging uit categorie 3 de maatregel telkens in duur verdubbeld. Als de belanghebbende met een IOAW of IOAZ uitkering na een maatregel op grond van dit lid, onder d, bij categorie 3 bij voortduring niet meewerkt aan een verplichting als bedoeld in artikel 8B, categorie 3 onder a en b, wordt de maatregel opgelegd voor de duur waarin door de belanghebbende niet aan deze verplichtingen wordt voldaan en vindt telkens na drie maanden een heroverweging plaats.

Rechtspraak bij dit artikel