De verlaging wordt toegepast met ingang van de kalendermaand
volgend op de datum waarop het besluit tot het verlagen van de
uitkering aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt
uitgegaan van de voor die maand geldende uitkeringsnorm.
In afwijking van het eerste lid vindt de verlaging van de
uitkering direct plaats als:
er sprake is van het niet of te laat inleveren van een
rechtmatigheidsverklaring;
de uitkering in die maand nog niet is uitbetaald.
De verlaging van de uitkering vindt plaats:
voor de duur van één kalendermaand, wanneer er sprake is
van een eerste verwijtbare gedraging;
voor de duur van twee kalendermaanden, wanneer er sprake
is van een tweede verwijtbare gedraging, waarvoor
hetzelfde of een hoger verlagingspercentage geldt,
binnen twaalf maanden na de eerste als verwijtbaar
aangemerkte gedraging. De duur van de verlaging wordt
verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf
maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een
verlaging istoegepast, opnieuw schuldig maakt aan een
verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie.
Met een besluit waarmee een verlaging is toegepast wordt
gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond
van dringende redenen, bedoeld in artikel 13, tweede
lid.
Het college kan bij een derde en volgende gedraging, waarvoor
hetzelfde of een hoger verlagingspercentage geldt, binnen twaalf
maanden na de laatste als verwijtbaar aangemerkte gedraging de
bijstand voor onbepaalde duur verlagen, rekening houdend met het
bepaalde in artikel 2, tweede lid, van deze verordening.
Het college kan in bijzondere gevallen de bijstand verlagen voor
een langere of voor onbepaalde duur, als de ernst van de
gedraging, de mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van
de belanghebbende daartoe aanleiding geven.
Hoofdstuk 3
Artikel 10
Ingangsdatum en tijdvak
Onderdeel van Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ 2012