**1. .** Indien de belanghebbende, in de periode voorafgaand aan de aanvraag van een uitkering op grond van de IOAZ of nadien, naar het oordeel van het college een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond voor de voorziening in het bestaan, de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, of zich jegens het college zeer ernstig misdraagt, legt het college een maatregel op.
Het college legt een maatregel op indien belanghebbende de verplichtingen als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de IOAW of artikel 20, eerste lid, van de IOAZ niet of onvoldoende nakomt.
Het college legt een maatregel op indien belanghebbende uit of in verband met arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of artikel 8 van de IOAZ zou hebben kunnen verwerven in de gevallen, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de IOAW, of artikel 20, tweede en derde lid, van de IOAZ.
**2..** Het college legt een maatregel op rekening houdend met de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de persoonlijke omstandigheden waarin belanghebbende verkeert.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.1
– Het opleggen van een maatregel
Onderdeel van Verordening maatregelen en boetes IOAW en IOAZ 2013