Lid 1: Naast het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, is een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt in het eerste lid, onderdeel a. geregeld dat het college geen sanctie oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden.
In de wet is geregeld dat een schriftelijke waarschuwing en geen boete kan worden gegeven indien er geen sprake is van geen benadelingsbedrag (0-fraude), er geen sprake is van verwijtbaarheid, en de klant de afgelopen twee jaar geen soortgelijke overtreding heeft begaan,
In het eerste lid, onderdeel b. wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een sanctie als het daarvoor dringende aanwezig acht. De verordening stelt een algemene verplichting tot het opleggen van een sanctie voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn indien er voor de belanghebbende onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Uit het gebruik van het woord “dringend” blijkt dat er wel iets heel bijzonders aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Uit de in deze van toepassing zijnde jurisprudentie kan de conclusie getrokken worden dat een beroep op dringende redenen zeer beperkt is, daar deze alleen gevonden kunnen worden in bijzondere omstandigheden van financiële of sociale aard. Het moet dan gaan om zeer ernstige gevolgen voor belanghebbende of diens gezin. Het feit dat een belanghebbende financieel zwaar getroffen wordt door een maatregel is op zichzelf nog geen dringende reden (CRvB, 01-04-2003, AK0118).
Wat betreft het afzien van boetes in geval van dringende redenen wordt aangesloten op de landelijke invulling en jurisprudentie. Een dringende reden betreft bijzondere omstandigheden in het individuele geval. In de Memorie van Toelichting is opgenomen dat uitsluitend vanwege het feit dat het de (mede-) belanghebbende minderjarige gezinsleden ontbreekt aan de noodzakelijke middelen om in het bestaan te voorzien, nog niet kan worden gesproken van dringende redenen. Vast moet staan dat de behoeftige omstandigheden op geen enkele andere wijze te verhelpen zijn.
In geval sprake is van het ontbreken van verwijtbaarheid kan het college besluiten af te zien van het opleggen van een sanctie dan wel bij verminderde verwijtbaarheid tot het verlagen van de maatregel of boete.
Lid 2: Het is van belang dat het college belanghebbende informeert over het genomen besluit, ook als dit inhoudt dat geen maatregel of boete wordt opgelegd. Dat dit schriftelijk gebeurt is niet alleen vanzelfsprekend uit oogpunt van rechtszekerheid, maar ook van belang in verband met eventuele recidive.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.5
– Afzien van het opleggen van een maatregel
Onderdeel van Verordening maatregelen en boetes IOAW en IOAZ 2013