Naar hoofdinhoud

Paragraaf 6

Artikel 26

Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging

Onderdeel van Afvalstoffenverordening 2005

1.. Het is verboden afvalstoffen buiten een daarvoor door het college aangewezen plaats en buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, op of in de bodem te plaatsen, te storten, te werpen, uit te gieten, te houden of te laten vallen of te laten lopen op een wijze die aanleiding kan geven tot hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu. 2.. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van het milieu. 3.. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst, aan de andere inzamelaars of aan houders van een inzamelvergunning. 4.. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen, voorzover niet in strijd met hetgeen bij of krachtens deze verordening is bepaald. 5.. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het thuis composteren van groente-, fruit- en tuinafval 6.. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de stoffen of voorwerpen tijdelijk op de weg geraken of worden gebracht als onvermijdelijk gevolg van het laden en lossen of vervoeren van stoffen dan wel het verrichten van andere werkzaamheden op of aan de weg.

Rechtspraak bij dit artikel