1. In deze verordening wordt verstaan onder:
a. wet: Wet werk en bijstand;
b. WTOS: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
c. WSF 2000: Wet Studiefinanciering;
d. bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5 onderdeel c van de wet;
e. minimabudget (MB): de langdurigheidstoeslag bedoeld in artikel 36 van de wet;
f. inkomen: het inkomen bedoeld in artikel 32 van de wet, met dien verstande dat voor de zinsnede ‘een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan’ moet worden gelezen ‘de referteperiode’. Een bijstandsuitkering wordt, in afwijking van artikel 32 van de wet voor de beoordeling van het recht op het minimabudget als inkomen gezien;
g. peildatum: de datum waarop aan de voorwaarden voor toekenning is voldaan;
h. referteperiode: een periode van zes maanden voorafgaand aan de peildatum;
i. college: het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen;
j. pensioengerechtigde leeftijd: de leeftijd waarop ingevolge de Algemene Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat;
2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader zijn omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 1
Begripsbepalingen
Onderdeel van Verordening minimabudget (langdurigheidstoeslag) Vlaardingen 2012