**1..** De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk
wordt afgewezen indien:
de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het
gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van
belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten
gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er
geen andere belangrijke reden aanwezig was;
de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte
woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is
verleend door het college;
deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke
ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en
extra trapleuningen, het verbreden van toegangsdeuren,,
drempelhulpen of vlonders, opstelplaats voor een rolstoel
bij de toegangsdeur van het woongebouw, de aanleg van een
traplift, overige voorzieningen die door de gehandicapte
noodzakelijkerwijs gebruikt worden om de normale
woonfuncties uit te oefenen,.
de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd
is vanuit of naar een woonruime die niet geschikt is het
gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een
AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het
verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen
problemen met het normale gebruik van de woning zijn
ondervonden.
**2..** Geen voorziening wordt toegekend:
voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik
van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning
gebruikte materialen;
voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben
op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale
woningbouw.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.9
Beperkingen.
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg