Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3

Artikel 3.2

Het recht op een vervoersvoorziening

Onderdeel van Verordening voorzieningen gehandicapten 2005

1.. Een gehandicapte kan voor een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 3.1. onder a. vermeld in aanmerking worden gebracht, wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van het openbaar vervoer of het bereiken van dit openbaar vervoer redelijkerwijs onmogelijk maken. 2.. De onder a genoemde vervoersvoorziening kan worden aangevuld met een (forfaitaire) vervoersvergoeding. De hoogte van deze vergoeding wordt bepaald in artikel 10 van het Financieel Besluit. 3.. Een gehandicapte kan voor een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 3.1 onder b of c in aanmerking worden gebracht, indien voor de noodzakelijke verplaatsingen in het kader van het leven van alle dag, het systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer niet adequaat is. 4.. De vergoeding voor vervoerskosten genoemd in artikel 3.1 onder c sub 2 en 4 betreft een forfaitair bedrag. 5.. De hoogte van deze forfaitaire vergoedingen wordt bepaald in artikel 11 van het Financieel Besluit. Voor de vaststelling van de hoogte van de forfaitaire vergoeding als bedoeld in het derde lid van dit artikel worden, rekening houdend met de aard van de (ergonomische) belemmering van de gehandicapte, twee categorieën onderscheiden: Een gehandicapte, die zittend in een rolstoel vervoerd moeten worden; Een gehandicapte, die niet zittend in een rolstoel vervoerd moet worden. 6.. Indien het inkomen zoals bedoeld in artikel 1.1 onder b méér bedraagt dan de inkomensgrens, genoemd in art. 11 van het Financieel Besluit, wordt geen financiële tegemoetkoming verstrekt in de kosten van vervoersvoorzieningen als bedoeld in artikel 3.1 onder a en onder c. 7.. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om boven-regionaal contact, dat uitsluitend door de gehandicapte bezocht kan worden, terwijl het bezoek noodzakelijk is voor de gehandicapte om dreigende vereenzaming te voorkomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel