**1..** Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, kan een maatregel worden opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand.
**2..** Onder tekortschietend besef wordt in ieder geval begrepen:
het op onverantwoorde wijze besteden van vermogen, inbegrepen het doen van een schenking, voorafgaand aan of tijdens de bijstandsverlening, voorzover bijstandsverlening redelijkerwijs was te voorzien;
het door eigen schuld of toedoen geen gebruik kunnen maken van een voorliggende voorziening;
**3..** Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt in geval van gedragingen als bedoeld in het tweede lid de maatregel op de volgende wijze vastgesteld:
bij een periode, als bedoeld in het eerste lid, van 3 maanden of korter:10% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden;
bij een periode, als bedoeld in het eerste lid, van 3 tot 6 maanden: 10 % van de bijstandsnorm gedurende drie maanden;
bij een periode, als bedoeld in het eerste lid, van 6 maanden en langer: 10% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden.
Hoofdstuk 3
Artikel 10
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan
Onderdeel van Maatregelverordening WWB Noordoostpolder 2013