**1..** Het college legt een of meer maatregelen op grond van deze verordening op, indien, naar het oordeel van het college, de belanghebbende:
de op hem rustende verplichtingen als bedoeld in artikel 13 van de wetten niet of niet voldoende nakomt;
de op hem rustende verplichtende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk III, uitgezonderd de verplichting op grond van artikel 37, eerste lid onder c, van de wetten niet of niet voldoende nakomt;
zich jegens het college zeer ernstig misdraagt;
bij een aanvraag van een uitkering krachtens de IOAW de op hem rustende verplichtingen als bedoeld artikel 30c, tweede of derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of niet voldoende nakomt;
zich in de periode voorafgaand aan de aanvraag om een uitkering of nadien onvoldoende ingezet heeft voor de bestaansvoorziening als bedoeld in artikel 20, eerste lid van de IOAZ.
**2..** Het college legt een maatregel op naar de mate waarin de belanghebbende uit of in verband met arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de wetten zou hebben kunnen verwerven, indien, naar het oordeel van het college:
aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt;
de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd;
de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of
de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.
HOOFDSTUK 1
Artikel 2
Het opleggen van een maatregel
Onderdeel van MAATREGELVERORDENING IOAW/IOAZ 2012 GEMEENTE OEGSTGEEST